Terug naar alle uitwerkingen van Nederlands

Bouwsteen: NL5.1 - Doelgericht communiceren

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

In de onderbouw po vergroten leerlingen de taalvaardigheid die ze voorschools al hebben opgedaan. In groepjes, (rollen)spel en kring versterken ze hun taalcompetentie en zelfvertrouwen op het gebied van spreken, gesprekken voeren, kijken, luisteren, lezen en schrijven. Leerlingen maken kennis met verschillende genres in gesproken, geschreven, digitale en multimodale vorm en krijgen oog voor passend taalgebruik. Ze schakelen indien nodig tussen hun talen en taalvariëteiten en het Standaardnederlands. Ze benutten kennis en vaardigheden van hun (eerste) talen of taalvariëteiten om het Standaardnederlands verder te ontwikkelen.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • zich ervan bewust worden dat teksten communicatieve doelen hebben: amuseren (rijmpjes, sprookjes), informeren (een informatiefilmpje over een planeet), instrueren (een vouwopdracht) en overtuigen (reclame) en dat deze in verschillende teksten tot uiting komen;
  • betekenisvolle verbanden te leggen tussen wat ze horen, zien of lezen met wat ze al weten. Ze leren verbanden formuleren als ze zelf spreken en schrijven;
  • te begrijpen dat wat en hoe iets gecommuniceerd wordt, passend moet zijn bij het doel van de tekst, het publiek en de taalgebruikssituatie. Als ze zelf spreken en schrijven, leren ze keuzes te maken welke taalvariëteit passend is en in woord-, zins- en beeldgebruik, toon en manier van spreken en gesprekken voeren;
  • vragen te stellen aan teksten bij het begrijpen, interpreteren en evalueren (wie, wat, waar, wanneer, hoe, en waarom) en bij het zelf formuleren van teksten.

Leren lezen en schrijven

Om doelgericht te communiceren hebben leerlingen basiskennis en -vaardigheden nodig op het gebied van lezen en schrijven.

Leerlingen leren:

  • klanken te herkennen en onderscheiden (fonologisch en fonemisch bewustzijn) en de klanktekenkoppeling correct en geautomatiseerd toe te passen (coderen en decoderen);
  • vloeiend (voor) te lezen met aandacht voor correctheid, expressie en begrip.
  • met een leesbaar handschrift te schrijven;
  • eenvoudige spelling- en grammaticaregels toe te passen en interpunctie te interpreteren en gebruiken.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

In de bovenbouw po bouwen leerlingen voort op eerder verworven kennis en vaardigheden. Ze gebruiken en produceren een grotere variëteit aan teksten in gesproken, geschreven, digitale en multimodale vorm. Ze zijn steeds beter in staat om complexere teksten te begrijpen, interpreteren en evalueren. Ook stemmen ze hun communicatie steeds passender af op doel, publiek en taalgebruikssituatie. Leerlingen schakelen indien nodig tussen hun talen en taalvariëteiten en het Standaardnederlands. Ze gebruiken de kennis en vaardigheden van hun (eerste) talen of taalvariëteiten om het Standaardnederlands verder te ontwikkelen.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • communicatieve doelen (amuseren, informeren, instrueren en overtuigen) in steeds complexere teksten te onderscheiden, te interpreteren en toe te passen;
  • betekenisvolle verbanden te leggen tussen wat ze horen, zien, lezen met wat ze al weten. Ze leren tekstverbanden expliciteren als ze zelf spreken en schrijven;
  • het doel van de tekst, het publiek en de taalgebruikssituatie in teksten te begrijpen, interpreteren en evalueren. Als leerlingen zelf mondeling, schriftelijk, digitaal of multimodaal communiceren, leren ze steeds beter keuzes te maken welke taalvariëteit passend is en in steeds passender woord-, zins- en beeldgebruik, in het correct toepassen van taalnormen, en in toon en manier van spreken en gesprekken voeren;
  • vragen te stellen aan teksten en over teksten aan elkaar bij het begrijpen, interpreteren en evalueren ervan en bij het zelf formuleren van teksten;
  • eenvoudige taalbronnen, zoals een woordenboek te raadplegen op basis van noodzaak en behoefte bij het verwerken en zelf produceren van teksten.

Om doelgericht te communiceren hebben leerlingen basiskennis en -vaardigheden nodig op het gebied van lezen en schrijven. Ook in deze fase van het onderwijs is er tijd, ruimte en begeleiding nodig voor leerlingen die deze basiskennis en -vaardigheden nog moeten verwerven en/of onvoldoende geautomatiseerd hebben.

Leerlingen leren:

  • steeds vloeiender (voor) te lezen met aandacht voor correctheid, expressie en begrip;
  • de schrijfhandeling (handschrift en typschrift) steeds adequater uit te voeren;
  • eenvoudige en meer complexe regels van spelling en grammatica, interpunctie en tekstvormgeving te interpreteren en gebruiken.

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

In de onderbouw vo bouwen leerlingen voort op eerder verworven kennis en vaardigheden. Ze gebruiken en produceren een grotere variëteit aan teksten in gesproken, geschreven, digitale en multimodale vorm. Ze zijn steeds beter in staat om complexere teksten in meer formele taalgebruikssituaties te begrijpen, interpreteren en evalueren. Ook stemmen ze hun communicatie steeds passender af op doel, publiek en taalgebruikssituatie. Leerlingen schakelen indien nodig tussen hun talen en taalvariëteiten en het Standaardnederlands. Ze gebruiken de kennis en vaardigheden van hun (eerste) talen of taalvariëteiten om het Standaardnederlands verder te ontwikkelen.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • dat teksten verschillende communicatieve doelen (amuseren, informeren, instrueren en overtuigen) tegelijkertijd kunnen hebben. Ze leren deze doelen in steeds complexere teksten opmerken, interpreteren en zelf toepassen;
  • betekenisvolle verbanden te leggen tussen wat ze horen, zien, lezen met wat ze al weten. Ze leren tekstverbanden steeds beter expliciteren als ze zelf spreken en schrijven;
  • het doel van de tekst, het publiek en de taalgebruikssituatie in teksten te begrijpen, interpreteren en evalueren. Als leerlingen zelf mondeling, schriftelijk, digitaal of multimodaal communiceren, leren ze steeds beter keuzes te maken welke taalvariëteit passend is en in steeds passender woord-, zins- en beeldgebruik, in het correct toepassen van taalnormen, en in toon en manier van spreken en gesprekken voeren;
  • zowel begrips-, interpretatie- als evaluatievragen te stellen aan teksten, aan elkaar over teksten en bij het zelf formuleren van teksten;
  • taalbronnen te raadplegen, zoals websites met taaladviezen, op basis van noodzaak en behoefte bij het verwerken en zelf produceren van teksten.

Om doelgericht te communiceren, hebben leerlingen basiskennis en -vaardigheden nodig op het gebied van lezen en schrijven. Ook in deze fase van het onderwijs is er tijd, ruimte en begeleiding nodig voor leerlingen die deze basiskennis en -vaardigheden nog onvoldoende geautomatiseerd hebben.

Leerlingen leren:

  • vloeiend (voor) te lezen met aandacht voor correctheid, expressie en begrip;
  • de schrijfhandeling (handschrift en typschrift) adequaat uit te voeren;
  • regels van spelling en grammatica, interpunctie en tekstvormgeving te interpreteren en gebruiken.

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

In de bovenbouw vo bouwen leerlingen voort op eerder verworven kennis en vaardigheden. Ze gebruiken en produceren een grotere variëteit aan teksten in gesproken, geschreven, digitale en multimodale vorm. Deze teksten worden steeds complexer en zijn steeds meer afgestemd op formele taalgebruikssituaties. De onderwerpen passen bij de interesses, mogelijkheden en behoeften van de leerling en de betreffende schoolsector. Leerlingen schakelen indien nodig tussen hun talen en taalvariëteiten en het Standaardnederlands. Ze gebruiken de kennis en vaardigheden van hun (eerste) talen of taalvariëteiten om het Standaardnederlands verder te ontwikkelen.

Aanbevelingen

  • Zorg ervoor dat bij alle schoolsectoren (praktijkonderwijs, vmbo, havo, vwo) doelgericht communiceren een belangrijk onderdeel vormt van het taalonderwijs in de bovenbouw. Dit vergroot het repertoire van leerlingen om doelgericht te communiceren en boodschappen van anderen te begrijpen, interpreteren en evalueren, wat belangrijk is voor de voorbereiding op dagbesteding, vervolgonderwijs (mbo, hbo, wo) en beroepen.
    • Leg in de bovenbouw vo meer accent op analyse van en reflectie op de afstemming van de boodschap op doel, publiek en taalgebruikssituatie, zowel binnen als buiten school (stages).
    • Leg profiel- en sectorspecifieke accenten, zoals het voeren van klantgesprekken in de context van Horeca, Bakkerij en Recreatie (praktijkonderwijs en vmbo) en het verwerken van relatief grote hoeveelheden informatie en produceren van essays en (onderzoeks)verslagen over complexe thema's (havo, vwo).
  • Zorg ervoor dat in alle onderwijssectoren nauw wordt afgestemd met andere leergebieden, zoals Engels/MVT en Digitale geletterdheid, zodat leergebiedoverstijgende aanpakken kans van slagen hebben.
  • Werk de bouwsteen 'Doelgericht communiceren' ook als vakinhoud uit in zowel vmbo, havo als vwo, zodat het een onderwerp van onderzoek is. Leerlingen doen daarbij onderzoek naar een of meerdere aspecten, bijvoorbeeld:
    • genretheorie en moderne retorica
    • taal en macht
    • taal, imago en relatie

De onderwerpen passen bij en zijn afgestemd op de eigenheid van de schoolsector. Voor vmbo en praktijkonderwijs kunnen, indien relevant, de inhouden aansluiten bij of een verbinding leggen met inhouden van de beroepsgerichte vakken en stages.

Onderdeel van Grote Opdracht(en)

Samenhangende bouwstenen

Op de hoogte blijven?

Meld je nu aan en blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen en het laatste nieuws rondom het landelijk curriculum.