Terug naar alle uitwerkingen van Kunst & Cultuur

Bouwsteen: KC1.1 - Maakstrategieën

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

In onderbouw po maken leerlingen kennis met maakstrategieën en ontwikkelen een artistiek-creatief vermogen. Dat doen leerlingen door te spelen met materialen en middelen. Ze proberen uit, kijken en luisteren naar elkaar en delen ideeën en ontdekkingen. Zo komen zij tot nieuwe artistieke inzichten die verwonderen en de fantasie prikkelen. Creatieve maakstrategieën richten zich in deze fase op de zintuiglijke ervaring en het spelend leren, experimenteren, (re)produceren en improviseren. Leerlingen doen dat met (bewegend) beeld, klank, woord en met beweging in relatie tot de ruimte of omgeving. Ook combinaties van deze vormen zijn mogelijk.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • (on)bewust zintuiglijk waarnemen: voelen, proeven, ruiken, kijken en luisteren;
  • imiteren, improviseren, experimenteren, spelen, uitproberen met (bewegend) beeld, klank, woord en met beweging in relatie tot de ruimte of omgeving. Ook combinaties van deze vormen zijn mogelijk;
  • verbindingen leggen tussen maken en meemaken;
  • zorgvuldig omgaan met elkaar, materialen en middelen;
  • reflecteren op het proces en het product en daarbij eenvoudige vaktaal gebruiken.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In bovenbouw po verbreden leerlingen de kennis over creatieve maakstrategieën en versterken daarmee het artistiek-creatief vermogen. Creatieve maakstrategieën richten zich in deze fase op vaardigheden als spelen en experimenteren met (bewegend) beeld, klank, woord en met beweging in relatie tot de ruimte of omgeving. Ook combinaties van deze vormen zijn mogelijk. Ze leren buiten bestaande kaders denken, proberen uit, onderzoeken alternatieven, en leren maakstrategieën steeds bewuster en gerichter in te zetten om vorm te geven aan eigen artistiek werk. Ze ontdekken hun voorkeuren.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • bewust zintuiglijk waarnemen: voelen, proeven, ruiken, kijken en luisteren;
  • imiteren, exploreren, improviseren, experimenteren, spelen, uitproberen met (bewegend) beeld, klank, woord en met beweging in relatie tot de ruimte of omgeving. Ook combinaties van deze vormen zijn mogelijk;
  • creatieve maakstrategieën gebruiken om te maken, componeren, re-creëren, ontwerpen, (re)produceren, improviseren en verbeteren;
  • (professionele) inspiratiebronnen zoeken en gebruiken, te denken valt aan: documentaires van maakprocessen, vlogs, films, liedrepertoire;
  • een interpretatie geven van bestaand werk;
  • betekenisvolle verbindingen leggen tussen maken en meemaken;
  • in het artistiek-creatief proces alternatieve oplossingen onderzoeken, verbanden leggen en combinaties maken;
  • bij het maken van artistiek werk verbeeldingskracht gebruiken en zich bewust worden van verwondering;
  • vanuit het eigen perspectief de betekenis onderzoeken van eigen artistiek werk en werk van anderen;
  • zorgvuldig omgaan met elkaar, materialen en middelen;
  • reflecteren op het proces en het product en daarbij gangbare vaktaal gebruiken.

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In onderbouw vo verdiepen leerlingen de kennis over creatieve maakstrategieën en versterken daarmee het artistiek-creatief vermogen. Steeds bewuster gebruiken leerlingen creatieve maakstrategieën bij het creëren van artistiek werk met (bewegend) beeld, klank, woord en met beweging in relatie tot ruimte en omgeving. Ook combinaties van deze vormen zijn mogelijk. Creatieve maakstrategieën richten zich in deze fase op vaardigheden als divergeren en convergeren en leerlingen buiten bestaande kaders leren denken. Ook leren leerlingen onderwerpen vanuit verschillende perspectieven onderzoeken en verbeeldingskracht gebruiken. Leerlingen benutten creatieve maakstrategieën bewust om te scheppen, improviseren, ontwerpen, re-creëren en componeren en kunnen keuzes beargumenteren. Om het proces vast te leggen verzamelen ze de experimenten en documenteren het artistiek-creatief proces.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • bewust zintuiglijk waarnemen: voelen, proeven, ruiken, kijken en luisteren;
  • imiteren, exploreren en improviseren, experimenteren, spelen, uitproberen met (bewegend) beeld, klank, woord en met beweging in relatie tot de ruimte of omgeving. Ook combinaties van deze vormen zijn mogelijk;
  • bij het maken van artistiek werk alternatieve oplossingen onderzoeken, verbanden leggen, combinaties maken;
  • bij het maken van artistiek werk verbeeldingskracht gebruiken en zich bewust worden van verwondering;
  • een interpretatie geven van bestaand werk;
  • inspiratie vanuit de professionele kunstenaarspraktijk gebruiken bij het maken van artistiek werk;
  • betekenisvolle verbindingen leggen tussen maken en meemaken en onderbouwen;
  • creatieve maakstrategieën bewust gebruiken om te maken, re-creëren, componeren, ontwerpen, (re)produceren, improviseren en verbeteren;
  • reflecteren op het proces en het product van jezelf en anderen en daarbij gangbare vaktaal gebruiken;
  • de zeggingskracht van materialen en middelen toepassen;
  • het artistiek-creatief proces vastleggen en toelichten;
  • zorgvuldig en duurzaam omgaan met elkaar, materialen en middelen;
  • zich oriënteren op de beroepspraktijk en maken kennis met de grote diversiteit binnen de creatieve en culturele sector;
  • reflecteren op het proces en het product en daarbij vaktaal bewust gebruiken.

Onderdeel van Grote Opdracht(en)

Samenhangende bouwstenen

Op de hoogte blijven?

Meld je nu aan en blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen en het laatste nieuws rondom het landelijk curriculum.