Uitwerking Bewegen & Sport

Hieronder vindt u de uitwerking van het voorstel van Bewegen & Sport. Bij elk leergebied bestaan de opbrengsten uit drie producten: visie, grote opdrachten en bouwstenen. Daarnaast vindt u hier ook algemene aanbevelingen en toelichtingen van het ontwikkelteam.

Aanbevelingen en toelichtingen

  • Toelichting op de voorstellen (incl. begrippenlijst)
  • Algemene aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs (Bewegen & Sport)

    Algemene aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs (Bewegen & Sport)

    Voor het leergebied als geheel

    De aanbevelingen bouwen voort op de visie, grote opdrachten en bouwstenen van po en vo onderbouw, en anticiperen vooral op de keuze-examenvakken voor vervolgonderwijs en toekomstige beroepen.

    De aanbevelingen worden gedaan voor twee groepen vakken in de bovenbouw. Enerzijds voor het gemeenschappelijke vak in de bovenbouw van alle sectoren (LO in havo/vwo, Praktijkonderwijs (PrO) en voortgezet speciaal onderwijs (VSO), LO1 in het vmbo), anderzijds het keuze examenvak in de bovenbouw (BSM voor havo en vwo en LO2 voor vmbo). De huidige examenprogramma’s en eindtermen voor de verschillende sectoren vormen daarbij het uitgangspunt. Over de keuzedelen die in het vmbo kunnen worden aangeboden, doen we hier geen verdere uitspraken.

    In de uitwerking van deze aanbevelingen naar de eindtermen voor de diverse sectoren moet rekening gehouden worden met de kenmerken van de leerlingen in die sectoren. De (grote) verschillen tussen die sectoren zullen vooral zichtbaar worden in de complexiteit van de uit te voeren activiteiten, in de mate van zelfstandigheid waarmee leerlingen de activiteiten kunnen uitvoeren, in de eigen keuzeruimte die leerlingen krijgen en in de theoretische diepgang die gehaald kan worden en de diepgang qua reflectie op het eigen leerproces.

    Voor het gemeenschappelijke vak voor alle leerlingen in de bovenbouw van alle sectoren

    Leren Bewegen

    • Laat leerlingen zich in deze fase binnen hun eigen mogelijkheden verdiepen in bekende activiteiten.
    • Bied de leerlingen de kans binnen hun eigen mogelijkheden de beginselen te leren van onbekende activiteiten / te verbreden.
    • Zorg voor voldoende variatie in het aanbod van beweegactiviteiten. Het aanbod sluit aan bij de beweeguitdagingen die leidend waren voor het aanbod in de voorafgaande fasen.
    • Bied leerlingen de ruimte om zelf te kiezen voor bepaalde activiteiten (als onderdeel van de vorming van de eigen beweegidentiteit). Per sector kan de keuzeruimte voor de leerlingen variëren.

    Gezond bewegen

    • Leerlingen moeten leren een trainingsprogramma voor een zelfgekozen aspect van fitheid op te zetten, uit te voeren en te evalueren. Besteed daarbij aandacht aan de relatie tussen trainen en bijdragen aan de eigen gezondheid te leveren. Hiervoor is een verdiept begrip van het concept gezondheid noodzakelijk.

    Bewegen betekenis geven

    • Laat leerlingen in deze fase hun eigen kwaliteiten en voorkeuren meer in de diepte verkennen en laat ze nagaan wat die kwaliteiten en voorkeuren kunnen betekenen in hun eigen (toekomstige) leven. Daarbij gaat het nadrukkelijker dan eerder ook over verschillen tussen contexten en motieven voor deelname.
    • Betrek daarin de verschillen tussen mensen op dit thema (sportief gedrag, omgaan met winst en verlies, deelname-niveau, deelnamemotieven, culturele achtergrond) en de manier om daar zo goed mogelijk mee om te gaan.

    Bewegen regelen

    • Bied leerlingen de kans zich te verdiepen in het zelf aanpassen van arrangementen en afspraken bij beweegactiviteiten aan de eigen wensen en doelen van de deelnemers.
    • Het onderling verdelen en vervullen van regelende taken - die horen bij de beweegactiviteiten die in de lessen centraal staan - is daar een onderdeel van. Geef leerlingen de kans om te kiezen in welke regelende rollen en taken zij zich willen verdiepen.

    Samen bewegen

    • In de bovenbouw gaat het om dezelfde kennis en vaardigheden als in eerdere fasen. Leg het accent op het toepassen van die kennis en vaardigheden om de activiteiten die worden gedaan soepeler te laten verlopen. Betrek daarbij mogelijke verschillen tussen mensen (sportief gedrag, omgaan met winst en verlies, deelnameniveau, deelnamemotieven, culturele achtergrond).
    • Leerlingen leren in de bovenbouw hun eigen rol in groepen en die van anderen beter te herkennen en doelgerichter in te zetten ten bate van een gemeenschappelijk doel.
    • De verschillen tussen groepen leerlingen en sectoren komen tot uiting in het doorontwikkelen van kennis en vaardigheden uit vorige fasen enerzijds en het toepassen van kennis en vaardigheden anderzijds. Dat hangt ook af van of leerlingen in een eigen vertrouwde en goed functionerende groep werken of in telkens variërende groepen.

    Beweegcontexten verbinden

    • Zorg dat de leerlingen in deze fase leren dat de verschillende contexten waarin zij aan bewegen deelnemen verschillend beweeggedrag mogelijk maken en vragen. Dat geldt zowel voor deelnemen in de rol van beweger als in de rol van regelaar of in andere rollen.
    • Besteed expliciet aandacht aan de overeenkomsten en verschillen die er zijn tussen beweegsituaties uit verschillende contexten.

    Voor het keuze-examenvak LO2 in de bovenbouw van het vmbo (GT/TL)* en het keuze-examenvak BSM in de bovenbouw van havo en vwo

    Leren bewegen

    • Het beter leren bewegen in een breed aanbod aan bewegingsactiviteiten staat hier vooral in dienst van het beter kunnen begeleiden van zulke activiteiten.
    • Het aanbod is ook bedoeld om de leerlingen zich echt te laten verdiepen op hun eigen niveau. Dan gaat het er niet alleen om er vaardiger in te worden, maar ook om de activiteit beter te leren doorgronden (qua kennis en inzicht).
    • Het aanbod moet verdiepen op datgene dat in de onderbouw en het gemeenschappelijke vak in de bovenbouw is geleerd.
    • Laat leerlingen zich bekwamen in een breed aanbod aan beweegactiviteiten, maar bied de leerlingen ook keuzemogelijkheden.

    Gezond bewegen

    • In de keuze-examenvakken vindt verdieping plaats ten opzichte van het gemeenschappelijk programma. Belangrijke onderwerpen zijn: verdieping in trainingsleer en het testen van fitheid, het opzetten, uitvoeren, begeleiden en evalueren van trainingsprogramma’s voor zichzelf en voor anderen, blessurepreventie en behandeling en het verlenen van EHBSO.
    • Bijzondere aandacht moet uitgaan naar de relatie tussen het verbeteren van fitheid en het vergroten van welbevinden.

    Bewegen betekenis geven

    • De leerlingen verdiepen zich in de vraag wat deelnemen aan bewegen voor anderen kan betekenen en welke rol bewegen en sport spelen in de actuele samenleving.
    • Besteed aandacht aan het maken van een onderbouwde keuze voor een vervolgopleiding of een rol in het werkveld van bewegen en sport.

    Bewegen regelen

    • Het regelen van bewegen staat hier vooral in dienst van het begeleiden van beweegactiviteiten voor anderen. De verdieping is gericht op kennis en vaardigheden om de activiteiten die begeleid worden beter te laten verlopen, in overeenstemming de bedoelingen en de context van de activiteit en daarbij de veiligheid te bewaken.
    • Het is gewenst dat leerlingen zich ontwikkelen in meerdere regelende rollen. Daarbij kunnen zij wel keuzes maken t.a.v. de situatie waarin zij die kunnen laten zien.
    • Essentieel is aandacht voor het voorbereiden, verzorgen en evalueren van (een deel van) een les en/of beweegactiviteiten in andere contexten. Het laten opdoen van ervaring in een stage of externe opdracht hoort daarbij uitdrukkelijk tot de mogelijkheden.

    Samen bewegen

    • Maak de leerlingen nadrukkelijker verantwoordelijk voor het proces van de groep waar zij leiding aan geven. Besteed daarbij aandacht aan het herkennen van de bijdrage van anderen en jezelf aan het groepsproces.

    Beweegcontexten verbinden

    • Besteed aandacht aan verschillende manieren van begeleiden van beweegsituaties, rekening houdend met de context waar die beweegsituaties plaatsvinden of naar verwijzen. Besteed daarbij aandacht aan overeenkomsten en verschillen tussen beweegsituaties in diverse contexten en tussen de deelnemers aan deze beweegsituaties.
    • Besteed aandacht aan aspecten van passieve sportbeoefening en van het belang van media-aandacht voor bewegen en sport.Besteed aandacht aan de betekenis van technologische ontwikkelingen in verschillende contexten van bewegen.

    * Deze aanbevelingen zijn in beginsel niet bedoeld voor de beroepsgerichte profiel- en keuzevakken. Dat gaat in dit verband met name om Ondersteuning bij sport- en bewegingsactiviteiten (1628) * en Voeding en beweging (1913) *. Bij een mogelijke herziening van de examenprogramma’s voor deze vakken ligt het wel voor de hand om die examenprogramma’s ook te spiegelen aan deze aanbevelingen voor de bovenbouw.

  • Download alle voorstellen en aanbevelingen als PDF

Visie op het leergebied

In de visie beschrijft het ontwikkelteam de relevantie, essentie en positie van het leergebied binnen het onderwijs.

Visie op het leergebied Bewegen & Sport

Visie op het leergebied Bewegen & Sport

De visie van het leergebied Bewegen & Sport is van toepassing voor het primair onderwijs (po), voortgezet onderwijs (vo) en speciaal onderwijs (so). De visie is opgedeeld in drie hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk schetst de relevantie van het leergebied Bewegen & Sport. In hoofdstuk twee worden recente (vakinhoudelijke) inzichten en maatschappelijke uitdagingen beschreven. In het derde hoofdstuk wordt ingegaan op de inhoud van het leergebied. Door middel van grote opdrachten en bouwstenen wordt de visie geconcretiseerd.

Relevantie van het leergebied Bewegen & Sport

a) Missie van het leergebied

Bewegen is een fundamenteel menselijk bestaansveld. De wereld is om in te bewegen en biedt hiervoor veel uitdagingen. Kinderen leren de wereld al bewegend kennen. De manier waarop mensen bewegen verandert met de leeftijd, maar bewegen blijft een menselijke behoefte.

Een leven lang met plezier bewegen, als onderdeel van een actieve en gezonde leefstijl en je daarin blijvend kunnen ontwikkelen, is van belang.

Missie: Een leven lang met plezier bewegen

b)  Belang voor de leerling

‘Een leven lang met plezier bewegen’ vormt het uitgangspunt van het leergebied. Om dit te bewerkstelligen is het nodig dat alle leerlingen in een pedagogisch veilige omgeving deelnemen aan beweegsituaties. Om deel te kunnen nemen aan beweegsituaties is het van belang om bekwaam te worden. Dit wordt meervoudig deelnamebekwaamheid genoemd en kenmerkt zich door:

  • bewegingsbekwaamheid
  • regelbekwaamheid
  • specifieke omgangsbekwaamheid
  • kennis en inzicht in beweeg- en sportsituaties
  • plezier in bewegen
  • waarden en normen

Plezier in bewegen is van essentieel belang. Beweegplezier is niet alleen ‘leuk’, maar betekent vooral plezier beleven in het aangaan van beweeguitdagingen en daarbij succeservaringen opdoen. Beweegplezier komt met name tot stand wanneer leerlingen zich autonoom, betrokken en competent voelen. Dit betekent dat er recht wordt gedaan aan verschillen tussen leerlingen op het gebied van deelnameniveau, beweegmotieven en sociale vaardigheden.

Het leergebied Bewegen & Sport levert tenslotte een belangrijke bijdrage aan de vorming van beweegidentiteit. De leerlingen ontwikkelen een bepaalde wijze van doen die hen typeren als bewegers, beleven meer plezier aan de ene activiteit dan aan de andere en ontwikkelen bepaalde voorkeuren. De leerlingen ontwikkelen een realistische kijk op de eigen mogelijkheden en voorkeuren ten aanzien van bewegen en sport. De leerlingen weten wat zij kunnen en willen, weten wat er te doen is in de beweeg- en sportcultuur en weten wat bij hen past.

c) Bijdrage aan de drie doeldomeinen

Het leergebied Bewegen & Sport levert een bijdrage aan drie doeldomeinen van het onderwijs: socialisatie, kwalificatie en persoonsvorming.

Socialisatie

Leren deelnemen aan een zowel voor het individu als voor de samenleving belangrijk bestaansveld is per definitie socialiserend. Bewegen & Sport is de samenleving in het klein. Leren rekening houden met elkaar, omgaan met waarden en normen, verschillende rollen kunnen vervullen, met elkaar activiteiten op gang kunnen houden, spelen daar een rol.

Kwalificatie

Om deel te kunnen nemen aan beweegsituaties, of dat nu op school is of als onderdeel van de actuele beweegcultuur, is een gevarieerd repertoire aan kennis en vaardigheden noodzakelijk. Bij Bewegen & Sport verstaan wij onder kwalificatie onder andere beweegvaardigheid en regelvaardigheid, kennis over bewegen en sport en het regelen daarvan, over beweegcultuur, hoe je je daarin beter kunt maken en kunt of hoort te gedragen.

Persoonsvorming

In het leergebied Bewegen & Sport leren leerlingen ook hoe ze zich verhouden tot de actuele beweegcultuur, wat ze vinden van bepaalde aspecten van bewegen en sport, wie ze zijn als sporter en als persoon, waar hun voorkeuren en mogelijkheden liggen als het om bewegen en sport gaat en maken ze daarin keuzes. Ze ontwikkelen een eigen beweegidentiteit. Dat is bij uitstek persoonsvorming.

d) Inbedding van het leergebied

Het leergebied Bewegen & Sport is ingebed in de onderwijsinstelling, de beweegcultuur in de samenleving (zie figuur 1).


Figuur 1. De inbedding van het leergebied Bewegen & Sport.

Samenvattend heeft het leergebied Bewegen & Sport als centrale opdracht: leerlingen beter leren deelnemen aan beweegsituaties. Hiermee wordt een evenredige bijdrage geleverd aan de drie doeldomeinen van het onderwijs: kwalificatie, socialisatie en persoonsvorming. Dat gebeurt in eerste instantie in de onderwijsinstelling, maar vindt plaats in relatie tot de beweegcultuur die weer een onderdeel is van de samenleving als geheel. Onder beweegcultuur worden alle activiteiten verstaan waarbij bewegen gethematiseerd wordt. De essentie is dat er wordt deelgenomen aan beweegsituaties. Dat kan op uiteenlopende tijden en plaatsen, in diverse contexten en met verschillende motieven plaatsvinden. Het is een van de opdrachten van het leergebied Bewegen & Sport om de verbinding te leggen tussen de ervaringen die leerlingen opdoen op het gebied van bewegen en sport in de les bewegingsonderwijs en de ervaringen op dat gebied buiten de les bewegingsonderwijs.

Recente (vakinhoudelijke) inzichten en maatschappelijke uitdagingen

In de kern van het curriculum behoort recht gedaan te worden aan een introductie in de beweegcultuur in haar volle breedte. Hieronder worden een aantal recente ontwikkelingen (in willekeurige volgorde) beschreven, die van invloed zijn op de introductie in de beweegcultuur in haar volle breedte.

a) Onderwijs (algemeen)

Passend onderwijs

De Wet passend onderwijs zorgt voor een toename aan diversiteit in de klas en binnen de onderwijsinstelling. Passend onderwijs voor alle leerlingen vraagt om een passend beweegaanbod voor elke leerling. Er moet altijd uitdaging zijn voor leerlingen om met plezier beter te leren bewegen. Alle leerlingen hebben het recht om hun talenten te ontplooien en met hun (on)mogelijkheden om te leren gaan. Ook leerlingen met een fysieke beperking, motorische achterstand, of leerlingen die meer behoefte hebben aan fysieke activiteit dan andere leerlingen. Dit vraagt om bewegingsonderwijs dat op maat aangeboden wordt.

Bewegen in de klas

Scholen besteden steeds vaker aandacht aan verschillende beweegmomenten in het klaslokaal, waaronder energizers en beweegopdrachten. Minder zitten en meer bewegen kan om meerdere redenen gedaan worden. Bijvoorbeeld om concentratie te verhogen, een bijdrage te leveren aan cognitieve leerprestaties, een bijdrage te leveren aan een gezonde leefstijl, motivatie voor school te verhogen en uitval te voorkomen. Het leergebied moedigt deze didactische werkvormen aan maar het behoort niet tot de kern van het leergebied Bewegen & Sport.

ICT/technologie ter ondersteuning van het leerproces

In het leergebied Bewegen & Sport wordt steeds vaker gebruik gemaakt van technologie, onder andere door beeldmateriaal in te zetten voor video-instructie of video-feedback. Dit om leerlingen te helpen inzicht te krijgen in het leerproces. Technologie als onderdeel van een mondiaal thema biedt verschillende aanknopingspunten. ICT-gebruik in het leergebied wordt door het leergebied als ondersteunend gezien.

Aandacht voor andere wijzen van beoordelen en evalueren

In het onderwijs is al geruime tijd aandacht voor ontwikkelingsgericht evalueren. Er is een verschuiving gaande van summatieve naar formatieve evaluatie. In het leergebied Bewegen & Sport biedt formatief beoordelen mogelijkheden die passen bij het ontwikkelingsgerichte karakter van het leergebied en dat alle leerlingen moeten kunnen meedoen binnen de eigen mogelijkheden.

b) Bewegen & Sport

Gezonde leefstijl

Voldoende bewegen is van belang voor een gezond leven en een goede persoonlijke ontwikkeling. Kinderen en jongeren bewegen echter steeds minder. In toenemende mate lijkt in onze bewegingsarme samenleving een gezonde leefstijl onder druk te staan en wordt er een beroep op scholen gedaan om een bijdrage te leveren aan het bevorderen van een gezonde leefstijl. Het leergebied Bewegen & Sport draagt in samenwerking met andere leergebieden een grote bijdrage aan een gezonde en actieve leefstijl.

Actuele beweegactiviteiten

Het leergebied Bewegen & Sport creëert een uitdagende leeromgeving, waarbij er een heldere verbinding is tussen binnen en buiten de onderwijsinstelling. Actuele beweegactiviteiten en verschillende verschijningsvormen van bewegen en sport krijgen een plaats binnen het curriculum.

Verschuiving van georganiseerde sport naar anders georganiseerde en ongeorganiseerde sport

De beweegcultuur laat een steeds gevarieerder beeld zien wat betreft tijdstip, plaats, verenigingsverband of niet, accommodaties, omgeving, contexten en motieven.

Mensen willen in hun eigen tijd, eigen plaats, op eigen niveau, laagdrempelig kunnen bewegen. Ofwel, altijd en overal wanneer het uitkomt. Dit betekent dat er in het curriculum ruimte moet zijn voor deze verschuiving.

Talentontwikkeling en talentherkenning

Er is een toenemende aandacht voor brede talentontwikkeling en talentherkenning. Een groeiend aantal scholen biedt een programma aan waarin betere bewegers zich kunnen ontplooien op het gebied van bewegen en sport. In de kern heeft het leergebied Bewegen & Sport aandacht voor de talenten van alle kinderen. Het uitgangspunt is dat iedereen binnen de eigen mogelijkheden moet kunnen deelnemen.

Achteruitgang kwaliteit bewegen

Recente onderzoeken naar de kwaliteit van bewegen laten een achteruitgang in motorische vaardigheden zien bij kinderen in het po. Het is aannemelijk om te veronderstellen dat dit voor leerlingen in het vo niet veel anders is. Het leergebied Bewegen & Sport draagt bij aan het keren van deze ontwikkeling.

Inhoud van het leergebied Bewegen & Sport

a) Karakteristiek van het leergebied

Het leergebied Bewegen & Sport kent verschillende vormen of varianten (zie figuur 2): reguliere lessen bewegingsonderwijs in alle sectoren, LO2 (vmbo-tl), BSM (havo/vwo), beroepsgerichte keuzevakken op vmbo-bb/kb, schoolzwemmen, sportklassen, spelen op het schoolplein, schoolsport, sportdagen, et cetera. Sommige onderdelen zijn voor alle leerlingen, andere voor enkele leerlingen. Sommige behoren tot het kernprogramma, andere tot keuzeactiviteiten binnen het leergebied. Daarbij hebben scholen de mogelijkheid om zich te profileren op bepaalde vlakken, bijvoorbeeld als sportieve school, Gezonde School, op het vlak van persoonlijke ontwikkeling of het ondersteunen  van toptalent. Het ontwikkelteam erkent dat er talloze mogelijkheden zijn voor leraren om als beweeg-ambassadeur meer te doen dan wat behoort tot de kern van het leergebied en juicht het ook toe als daarvoor gekozen wordt. De opdracht van het ontwikkelteam is echter beperkt tot de kern en daarom neemt zij dergelijke opties niet mee in de beschrijving van de grote opdrachten en de bouwstenen voor het leergebied.


Figuur 2. Kern en keuze in het leergebied Bewegen & Sport met voorbeelden waarop bewegen en sport verschijnt in de onderwijsinstelling.

Het curriculum beschrijft het ‘wat’, het ‘hoe’ is aan de scholen. Deze visiebeschrijving gaat over het kerncurriculum, de linker twee kwadranten, waarvoor kerndoelen en eindtermen worden opgesteld die gelden voor alle leerlingen die vakken volgen. Het keuzedeel van het curriculum is aan de scholen zelf: zij bepalen welke inhouden daar aan leerlingen worden aangeboden en welke doelen daarvoor gelden.

Het kernprogramma staat in verbinding met het keuzecurriculum: het bereidt leerlingen voor en stimuleert leerlingen om deel te nemen aan het keuzeprogramma, afhankelijk van wat de onderwijsinstelling aanbiedt.

b) Beweeguitdagingen als beschrijvingskader van de inhoud van het leergebied

Er zijn veel verschillende manieren om het leergebied Bewegen & Sport in te delen. Een bekende indeling voor het po zijn de grondvormen van bewegen zoals springen, zwaaien, balanceren, mikken, et cetera. In het vo wordt er veel gewerkt met de zogenaamde beweegdomeinen (ook wel activiteitengebieden): spel, turnen, atletiek, bewegen op muziek, zelfverdediging en zwemmen. Bewegen en sport kan ook worden bekeken vanuit verschillende verschijningsvormen zoals wedstrijdsport, recreatiesport, jurysport, avontuursport en fitnessactiviteiten.

Een van de opdrachten van deze curriculumherziening is het ontwikkelen van een doorlopende leerlijn van po naar vo. Er is daarom gekozen voor één beschrijvingskader voor het gehele leertraject: een indeling aan de hand van ‘beweeguitdagingen’.

Een beweeguitdaging beschrijft van een cluster activiteiten het centrale beweegprobleem dat de deelnemers aangaan. Een belangrijk kenmerk van een beweeguitdaging is dat er een doorlopende leerlijn aan kan worden verbonden. De essentie van het beweegprobleem blijft voor de verschillende fases hetzelfde, de taak en omgeving kunnen complexer worden gemaakt waarmee rekening gehouden kan worden met de verschillende deelnameniveaus van leerlingen.

Het onderwijsprogramma is gericht op een brede introductie in de beweeg- en sportcultuur. Als leerlingen zich bekwamen in het aangaan van een breed scala aan beweeguitdagingen hebben ze daarmee toegang tot een veelheid aan beweegactiviteiten, zowel traditionele als nieuwe (actuele) activiteiten.

Voor de inrichting van het onderwijsprogramma biedt het werken met beweeguitdagingen verschillende mogelijkheden/voordelen:

  • Het wordt mogelijk om een doorlopende leerlijn te formuleren voor po en vo vanuit een gemeenschappelijk kader.
  • Per fase worden er op aanbodsniveau doelen geformuleerd die aangeven wat er minimaal in het onderwijs aan bod moet komen.
  • Daarmee wordt richting gegeven aan het onderwijsprogramma en tegelijkertijd biedt dit volop ruimte aan scholen en professionals om de uiteindelijke inrichting af te stemmen op de doelgroep en de beschikbare middelen.
  • Het werken met beweeguitdagingen biedt een mogelijkheid om nieuwe beweeg- en sportactiviteiten een plek in het curriculum te geven.
  • Daarnaast kunnen de beweeguitdagingen dienen als filter om beweegactiviteiten te analyseren en te kunnen bepalen of een activiteit geschikt is om in het programma op te nemen.

c) Samenhang binnen het leergebied

De eerste samenhang binnen het leergebied gaat over doorlopende leer- en ontwikkellijnen van 4 tot 18 jaar. Het is van belang dat wat de leerlingen leren aansluit bij eerdere leerervaringen. Overgangen in de schoolloopbaan, bijvoorbeeld van po naar vo en so mogen niet leiden tot breukvlakken in het onderwijs. Daarnaast is er samenhang met voorschoolse educatie en met vervolgopleidingen.

De tweede samenhang gaat over binnen- en buitenschools leren. Het leergebied is erop gericht dat leerlingen leren deelnemen aan beweegsituaties in allerlei verbanden, zowel nu als later. Het gaat dan over ongeorganiseerde sport (zelf op straat, camping, in de buurt, et cetera), georganiseerde sport (op de sportvereniging) en anders georganiseerde sport (georganiseerd buiten de sportvereniging om). Het gaat ook over de samenhang tussen de lessen bewegingsonderwijs en het spelen op het schoolplein, de schoolsport en sportdagen. Bewegingsonderwijs en sport buiten school zijn niet identiek, maar er zijn veel mogelijkheden om de leerlingen leerervaringen te laten opdoen die ook in die andere situaties kunnen worden gebruikt.

d) Leer- en ontwikkellijnen in het leergebied

In het leergebied verschilt de hoeveelheid aandacht voor de drie doeldomeinen (kwalificatie, socialisatie en persoonsvorming), per les, doelgroep en schoolperiode. Binnen het leergebied kunnen meerdere leer- en ontwikkellijnen worden onderscheiden. Belangrijk kenmerk daarvan is dat ze een doorlopende ontwikkeling van de leerlingen mogelijk maken en tevens ruimte bieden voor maatwerk om rekening te houden met verschillen tussen leerlingen.

Op jonge leeftijd wordt een brede basis gelegd door een veelzijdig beweegaanbod te bieden. In elke fase proberen leraren rekening te houden met de leervragen van de leerlingen. Naarmate leerlingen ouder worden, krijgen zij meer mogelijkheden om keuzes te maken uit een breed aanbod en zich te verdiepen in bepaalde beweegactiviteiten en verschijningsvormen van bewegen en sport. Dit draagt bij aan de ontwikkeling van een eigen beweegidentiteit. Toenemende vaardigheid in bewegen en bewegen regelen geeft leerlingen, naast steeds meer inzicht in eigen en andermans kwaliteiten en voorkeuren, de middelen om te participeren in allerlei beweeg- en sportactiviteiten en is in die zin maatschappelijk vormend.

Wat betreft de persoonsvorming, krijgt de (on)bewuste vorming van een eigen identiteit ook binnen de sport- en beweegcultuur steeds nadrukkelijker aandacht. Het inzichtelijk maken van de mogelijkheden van de beweegcultuur en de reflectie daarop, bereidt leerlingen voor op deelname aan de beweegcultuur. Het uiteindelijke doel is dat leerlingen ook zonder leraar een goede afweging kunnen maken ten aanzien van deelname aan bewegen en sport.

e) Brede vaardigheden

Het leergebied Bewegen & Sport kan op veel vlakken bijdragen aan brede vaardigheden (zie figuur 3). De kans dat er daadwerkelijk een bijdrage geleverd wordt aan brede vaardigheden wordt groter als de leraar daar bewust op stuurt. Die bijdrage kan ook onbedoeld optreden, zelfs als de leraar daar niet bewust aandacht aan besteedt. De kans op leergebiedoverstijgende opbrengsten wordt groter bij een schoolbrede aanpak, wanneer leerlingen op meerdere plekken op de school met die brede vaardigheden in aanraking komen. De brede vaardigheden staan binnen Bewegen & Sport altijd naast en in relatie tot 'beter leren deelnemen aan beweegsituaties'. Ze kunnen niet zonder elkaar, maar de brede vaardigheden zijn geen doel op zich. De brede vaardigheden worden duidelijk beschreven in het curriculum, aan de hand van (of gebruikmakend van) het model brede vaardigheden van Curriculum.nu (zie figuur 3).


Figuur 3. Het model brede vaardigheden van Curriculum.nu

f) Mondiale thema’s

Om betekenisvol leren vorm te geven en samenhang te verkrijgen in het curriculum, zijn  mondiale thema’s vastgesteld te weten: globalisering, gezondheid, duurzaamheid en digitalisering.
Met alle leergebieden zijn de mogelijkheden om samen vakoverstijgende activiteiten vorm te geven onderzocht. Hierbij is de wederkerigheid met de andere leergebieden leidend geweest in de keuzes die gemaakt zijn.

Grote opdrachten (essenties van het leergebied)

Klik op een knop om de inhoud van een grote opdracht te zien. Ook kunt u dan de daarbij behorende bouwstenen bekijken om te zien hoe dit is uitgewerkt voor de verschillende fasen in het onderwijs. Als u niets aanklikt, ziet u hieronder alle bouwstenen voor dit leergebied.

Bouwstenen (uitwerking in kennis en vaardigheden)

Titel van de bouwsteen Primair onderwijs Onderbouw VO Bovenbouw VO

Leren bewegen

BS1.1/2.1/8.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

BS1.1/2.1/8.1 - Leren bewegen

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

De bouwsteen Leren bewegen hangt samen met:

Burgerschap 5.1 over Diversiteit en inclusie en 6.1 over Solidariteit

  • Bij B&S worden leerlingen uitgenodigd om binnen hun eigen mogelijkheden mee te doen
  • Bij BU vormt dit een context voor het oefenen van een verdraagzame omgang, ook op het gebied van verschillende fysieke en sportieve mogelijkheden

Burgerschap 11 over Denk en handelwijzen (11.3 - Handelingsperspectief)

  • Bij B&S vergroten leerlingen hun deelnamemogelijkheden binnen de wereld van bewegen en sport doordat zij steeds beter leren bewegen
  • Bij BU verkennen en vergroten leerlingen hun handelingsperspectief - waar mogelijk ook dat van anderen.

Kunst & Cultuur 2.1 over Artistieke technieken en vaardigheden en 3.1 over Artistieke expressie

  • Bij B&S staat het bewegen in het ritme en tempo van de muziek centraal. Daarbij zetten zij ook hun artistieke vaardigheden en technieken en artistieke expressie in
  • Bij K&C worden het hanteren van artistieke technieken en vaardigheden en de inzet van artistieke expressie bij het bewegen op muziek en de betekenis van het bewegen op muziek gethematiseerd. Daarbij bewegen zij ook in het ritme en het tempo van de muziek.

De beide leergebieden zijn zo complementair aan elkaar.

BS1.1/2.1/8.1 - Leren bewegen - Toelichting

Algemeen

De bouwsteen Leren bewegen verwijst naar en is de uitwerking van de volgende grote opdrachten:

  • Grote opdracht 1: Gevarieerd beweegaanbod
  • Grote opdracht 2: Beter leren bewegen
  • Grote opdracht 8: Bewegen op eigen niveau

Er is gekozen voor een ordening in beweeguitdagingen om een doorlopende leerlijn van het primair onderwijs naar eind voortgezet onderwijs te creëren. Door de beweeguitdagingen als uitgangspunt te nemen, kan er gezorgd worden voor een zo breed mogelijke introductie in de beweeg- en sportcultuur. Hierdoor is er voor actuele sport- en beweegactiviteiten een plaats in het curriculum. Er is samenhang met de bouwstenen Gezond bewegen, Bewegen betekenis geven, Bewegen regelen, Samen bewegen en Beweegcontexten verbinden. In onderstaand schema zijn de verschillende beweeguitdagingen beschreven, gekoppeld aan een overkoepelend thema en voorzien van een doorlopende leerlijn die per beweeguitdaging aan de hand van uiteenlopende criteria wordt uitgewerkt.

Beweeguitdagingen en thema’s Doorlopende leerlijn
Handhaven van evenwicht en herstellen van evenwichtsverstoringen op een steunvlak (balanceren)

  

Van veel naar weinig steunpunten, van een breder naar een smaller grondvlak, van een horizontaal naar een schuiner grondvlak, van een stabiel naar een instabiel grondvlak, van vaste grondvlakken naar op losse en rollende materialen, van alleen naar samen balanceren, van korter naar langer volhouden, van een statisch naar dynamisch, van veel naar weinig hulp.
Vaart maken op een rijmiddel/glijvlak om in balans vaart te houden

(glijden en rijden)

Van lage naar hoge glijvlakken, van zittend naar staand glijden, van een laag naar een hoog tempo van glijden en rijden, van stabiele naar instabiele rijmiddelen, van weinig naar veel richtingsveranderingen, van rijden en glijden op vlakke naar onregelmatige of gladde oppervlakken, van een kort naar een lang glijvlak of route.
Afzetten om in de lucht te zweven, al dan niet met handen plaatsing op een steunvlak, met een gecontroleerde landing, al dan niet herhaald

(gymnastisch springen)

Van aanlopen in een laag naar een hoog en van onregelmatig naar regelmatig tempo, van een trage naar een snelle explosieve afzet, van een vast naar een verend afzetvlak, van een groter  naar een kleiner steunvlak, van een korte naar een langere zweeffase, van minder naar meer richtingsveranderingen tijdens het zweven, van enkelvoudig naar herhaald springen.
Het realiseren van steun- en hangpunten om je te kunnen verplaatsen over klim- en klautervlakken

(klimmen)

Van klimmen en klauteren op een horizontaal naar een verticaal vlak, van een stabiel naar een instabiel vlak, van op een laag naar op een hoog vlak, van veel naar weinig steunpunten, van grote naar kleine steunpunten, van in een laag naar een hoog tempo, van weinig naar veel richtingsveranderingen.
Zwaaien op of aan een toestel

(zwaaien)

Van schommelen naar vormen van steunend en hangend zwaaien, van weinig naar veel zwaai, van zwaaien aan een korte naar aan een lange slinger, van zonder naar met richtingsveranderingen, van zonder naar met in- en afspringen, van zwaai onderhouden naar zwaai vergroten.
Inzetten van rotatie om breedte- en/of lengte-as en tijdig deze rotatie weer afremmen

(draaien)

Van aan een vast object naar duikelen aan een bewegend object, van op een schuin naar op een recht vlak, vanuit stand naar vanuit een aanloop / sprong / roteren, van minder naar meer gecontroleerd landen, van alleen roteren naar in combinatie met springen en zwaaien, van op een vlak naar vrij door de lucht.
Iemand willen afgooien, uittikken met een speelvoorwerp, uitmaken of tikken terwijl de ander dit probeert te voorkomen

(inblijven & uitmaken)

Meer of minder mogelijkheden voor tikkers, meer of minder vrijplaatsen en bevrijdingsmogelijkheden, klein of groot tikgebied, meer of minder tikkers, meer of minder tijd, meer of minder looprichtingen.
Wegspelen van een speelvoorwerp om dit in of tegen een mikdoel te krijgen

(mikken)

Van een groot naar een klein doel, van een laag naar een hoog doel, van een doel dichtbij naar veraf, van een verticaal naar een horizontaal doel, van een makkelijk naar een moeilijk te hanteren speelvoorwerp, van mikken met weinig naar veel vaart, van een vast naar een bewegend doel, van mikken vanuit een stabiele positie naar mikken in beweging.
Wegspelen van een speelvoorwerp zodat dit gevangen kan worden of in beweging blijft (jongleren) Van een langzaam naar een snel speelvoorwerp, van spelen over een kleine naar een grote afstand, van een makkelijk naar moeilijk te hanteren speelvoorwerp, van een laag naar een hoog tempo, van weinig naar veel richtingsverandering, van spelen vanaf een vaste positie naar spelen in beweging.
Wegspelen van een speelvoorwerp binnen het speelveld zodat de ander deze niet kan terugspelen

(over en weer inplaatsen)

Van een langzaam naar een snel speelvoorwerp, van spelen over een kleine naar een grote afstand, van een makkelijk naar moeilijk te hanteren speelvoorwerp, van een laag naar een hoog tempo, van een klein naar een groot te verdedigen speelveld, van weinig naar veel richtingsverandering, van spelen vanaf een vaste positie naar spelen in beweging.
Met een speelvoorwerp een tegenstander passeren om dichter bij het doel te komen of in de positie komen een doel te raken terwijl de tegenspeler probeert het speelvoorwerp te onderscheppen en/of het doel te verdedigen

(passeren & onderscheppen)

Van minder naar meer spelers, weinig of veel doelen, van klein naar groot veld, weinig of veel ruimte tussen de doelen, zonder overtal of gelijke aantallen, homogene of heterogene groepen, van een makkelijk naar een moeilijk te hanteren speelvoorwerp, minder of meer schijnbewegingen en richtingsveranderingen.

 

Wegspelen van een speelvoorwerp om dit zo ver mogelijk te krijgen

(werpen en wegspelen)

Van een makkelijk naar een moeilijk te hanteren speelvoorwerp, van wegspelen met weinig naar veel vaart, van wegspelen vanuit een stabiele positie naar in beweging.
Lopen om zo snel mogelijk ergens te komen  of in een bepaald tempo vol te kunnen houden

(hardlopen)

Van lopen over korte naar lange afstand, van in een lager tempo naar in een hoog tempo lopen en wisselen, van speelse naar wedstrijdvormen, van lopen in een onregelmatig tempo naar in een regelmatig tempo.
Afzetten om een zo groot mogelijke afstand of hoogte te overbruggen (atletisch springen) Van aanlopen in een laag naar een hoog en van onregelmatig naar regelmatig tempo, van een trage naar een snelle explosieve afzet, van enkelvoudige naar meervoudige sprongen.
Door duwen/trekken/kantelen/werpen een medespeler uit balans brengen terwijl deze probeert de balansverstoring te voorkomen

(stoeien) 

Van laag bij de grond naar staand stoeien, van begeleid naar zelfstandig vallen en rollen, van meewerken naar tegenwerken, van initiatief aan één kant naar aan beide kanten, van uit balans brengen naar controleren.
Iemand willen raken met of zonder speelvoorwerp terwijl de tegenstander het raken probeert te voorkomen

(treffen)

Van stilstaand naar in beweging treffen, een groot of een klein trefvlak, van één naar meerdere trefvlakken.
Het uitvoeren van bewegingspatronen op muziek waarbij het tempo, ritme en de timing van bewegen overeenkomt met de muziek

(bewegen op muziek)

Van bewegen op een eenduidig naar een complex ritme, van een vast naar een wisselend tempo, van individueel naar samen, van een ander nadoen naar zelf een dans ontwerpen, van een korte naar een langere choreografie.
Drijven en verplaatsen in het water

(drijven en verplaatsen)

Van verplaatsen in een laag naar een hoog tempo, van weinig naar veel richtingsveranderingen, van met veel naar met weinig hulpmiddelen, van kort naar langer volhouden, van alleen naar samen.
Het uitvoeren van (een serie) bewegingen, waarbij de intensiteit varieert

(fitheid)

Van korte inspanningen naar langere inspanningen, van minder naar meer korte inspanningen, van lange tijd tussen inspanningen naar kortere tijd daartussen, van lichte naar zwaardere belasting tijdens inspanningen en van minder naar meer souplesse tijdens inspanningen.

Opbouw doorlopende leerlijn

Om een opbouw te creëren in doorlopende leerlijnen is ervoor gekozen om zowel in het primair onderwijs als in het voortgezet onderwijs het onderwijs te ordenen rond dezelfde beweeguitdagingen. Elke doorgaande leerlijn wordt gekenmerkt door één centrale beweeguitdaging.

Het op een passend niveau aanbieden van een beweeguitdaging is een verantwoordelijkheid van de leraar. De leraar kan die complexiteit binnen de doorlopende leerlijnen beïnvloeden door een verandering aan te brengen in de taak (te denken valt aan spelregels en beweegopdrachten) en de context (te denken valt aan spelmaterialen, veldgrootte, accenten in het speelvlak of aanpassingen aan het arrangement). Deze aanpassingen dienen gedaan te worden passend bij de kenmerken van de leerlingen (te denken valt aan niveau, leeftijd, fysieke eigenschappen). Het niveau van elke leerling is leidend en niet de leeftijd of de groep waarin deze leerling zit. Op deze wijze kan elke leerling binnen zijn eigen mogelijkheden deelnemen.

Brede vaardigheden

Deze set bouwstenen heeft samenhang met meerdere brede vaardigheden. Er gaat specifieke aandacht naar:

Zelfregulering:

  • inschatten van moeilijkheidsgraad van een beweegactiviteit voor kans op succes (oriënteren)
  • stellen en plannen van realistische (leer)doelen afhankelijk van de situatie en tussenresultaten (strategisch plannen)
  • bijsturen van (leer)doelen (zelfcontrole)
  • aangeven hoe de eigen prestatie invloed heeft op een vervolgtaak (zelfbeoordeling)

Samenwerken:

  • Zie bouwsteen Samen bewegen

Samenhang met andere leergebieden

Er is samenhang met het leergebied Kunst & Cultuur bij het thema bewegen op muziek. Bij het leergebied Bewegen & Sport staat vooral het bewegen op het tempo en het ritme centraal, terwijl bij het leergebied Kunst & Cultuur verschillende ‘artistieke technieken en vaardigheden’, ‘artistieke expressie’ en de betekenis van het bewegen wordt aangeboden. Ze zijn daarom complementair aan elkaar.

Mondiale thema’s

Bijdrage aan gezondheid.

Leerlingen leren binnen hun eigen mogelijkheden beter deelnemen aan veel nieuwe én bekende activiteiten rond beweeguitdagingen die afgeleid zijn van de actuele beweegcultuur.

BS1.1/2.1/8.1 - Leren bewegen - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw hebben vrijwel alle leerlingen een natuurlijke bewegingsdrang. De leerlingen leren in korte tijd veel nieuwe activiteiten en leren beter deel te nemen aan bekende activiteiten. De diverse beweeguitdagingen dienen passend binnen de eigen mogelijkheden van de individuele leerling aan bod te komen. Een gevarieerd aanbod is in deze fase van groot belang. Op deze wijze doen de leerlingen veel ervaringen op die in een later stadium helpen bij het maken van persoonlijke keuzes.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

Balanceren

  • Lopen over smalle en stabiele vlakken
  • Elkaar in balans houden

Glijden en Rijden

  • Zittend glijden op een schuin vlak
  • Zittend rijden op een recht of schuin vlak

Gymnastisch springen

  • Recht omhoog of steunend springen over lage hindernissen met afzetvlak

Klimmen

  • Klauteren tegen en op verschillende toestellen
  • Hangend klimmen aan toestellen

Zwaaien

  • Heen en weer zwaaien aan en op zwaaitoestellen

Draaien

  • Duikelen om vaste toestellen
  • Rollen op schuine vlakken

Inblijven & uitmaken

  • Overlooptikspelen en kriskrastikspelen

Mikken

  • Mikken op grote doelen

Jongleren

  • Werpen en vangen

Passeren en onderscheppen

  • Een bal langs een keeper tegen een doel spelen
  • Eenvoudige lummelspelen

Werpen en wegspelen

  • Een voorwerp ver weg gooien

Hardlopen

  • Hardlopen in estafettevormen

Atletisch springen

  • Springen over lage hindernissen
  • Hoogspringen

Stoeien

  • Om een speelvoorwerp stoeien

Bewegen op muziek

  • In de maat lopen en het uitvoeren van bewegingen op eenvoudige muziek

Drijven en verplaatsen

  • Drijven en verplaatsen in het water

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

Ook in de bovenbouw van het po hebben de leerlingen meestal een grote bewegingsdrang. De beweegactiviteiten worden complexer waarbij verschillende beweeguitdagingen worden gecombineerd. In deze fase is het van belang dat leerlingen zich ontwikkelen in een breed aanbod van activiteiten.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

Balanceren

  • Lopen over smalle en half instabiele vlakken
  • Zitten of staan op medeleerling(en)

Glijden en rijden

  • Staand glijden op een schuin vlak en staand rijden op een recht of schuin vlak

Gymnastisch springen

  • Steunend springen over hogere hindernissen met afzetvlak
  • Herhaald springen

Klimmen

  • Klauteren tegen, op en over verschillende toestellen en aan toestellen hangend klimmen in verschillende richtingen

Zwaaien

  • Heen en weer zwaaien aan en op verschillende zwaaitoestellen met afspringen en richtingsveranderingen

Draaien

  • Duikelen aan bewegende toestellen en rollen op verhoogde vlakken met afzetvlak

Inblijven & uitmaken

  • Tikspelen waarbij de leerlingen tegelijk meer rollen hebben (tikken, weglopen en bevrijden), jagerbalspelen met meer jagers en bevrijdingsmogelijkheden en eenvoudige slag- en loopspelen

Mikken

  • Mikken op kleine horizontale doelen

Jongleren

  • Een speelvoorwerp samen met een ander, al dan niet sparrend, overslaan of overspelen en een speelvoorwerp individueel gaande houden met verschillende hanteringswijzen.

Over en weer inplaatsen

  • Een speelvoorwerp met verschillende hanteringswijzen wegspelen over een lijn zodat het bij de andere partij op de grond komt.

Passeren en onderscheppen

  • Passeren en onderscheppen in partijen met kleine aantallen en goede scoringsmogelijkheden

Werpen en wegspelen

  • Een speelvoorwerp wegslaan en -werpen

Hardlopen

  • Hardlopen en startvormen bij sprinten

Atletisch springen

  • Eenvoudige hordenloopvormen en ver- en hoogspringen

Stoeien

  • Met een ander zittend stoeien en elkaar uit balans duwen of trekken, zelf in balans blijven of jezelf bevrijden

Treffen

  • Eenvoudige trefspelen met tweetallen

Bewegen op muziek

  • Lopen in de maat met wisselingen, stoppen aan het eind van de muzikale zin en van patroon veranderen aan het eind van muzikale zin, het maken van dansbewegingen op actuele muziek

Fitheid

  • Deelnemen aan loopvormen, oefenvormen en beweegcircuits waarbij het accent ligt op intensief bewegen.

Drijven en verplaatsen

  • Verplaatsen in het water

Leerlingen leren beweegactiviteiten die steeds meer herkenbaar verwijzen naar de actuele beweegcultuur. Het aanbod sluit zoveel mogelijk aan bij de motivatie van de leerlingen.

BS1.1/2.1/8.1 - Leren bewegen - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het vo sluiten de gekozen beweegactiviteiten steeds meer aan bij de actuele beweegactiviteiten in de beweegcultuur. De verschillen tussen leerlingen zijn steeds groter en zichtbaarder. Het is belangrijk leerlingen te blijven motiveren voor bewegen en sport. Aansluiten bij de basisbehoeften autonomie, betrokkenheid en competentie van de leerlingen speelt hierbij een rol.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

Balanceren

  • Lopen over instabiele vlakken
  • Elkaar in balans houden met beperkte steunmogelijkheden en in complexere poses

Glijden en rijden

  • Rijden op wielen (of wieltjes) met bochten en zo mogelijk schaatsen

Gymnastisch springen

  • Vanuit een aanloop springen in een verend vlak en van daaruit een (steun)sprong maken, al dan niet met een richtingsverandering en gecontroleerd landen

Klimmen

  • Klimmen tegen en aan toestellen met weinig steunpunten

Zwaaien

  • Zwaaien aan verschillende zwaaitoestellen met verschillende manieren van afspringen en richtingsveranderingen

Draaien

  • Draaien om bewegende toestellen en vormen van saltospringen of overslagen over hindernissen

Inblijven & uitmaken

  • Deelnemen aan complexere tref- en jagerbalspelen en vormen van slag- en loopspelen

Mikken

  • Een speelvoorwerp ver weg gooien en slaan naar een doel met verschillende hanteringswijzen

Jongleren

  • Een speelvoorwerp met verschillende hanteringswijzen in beweging houden, alleen of samen, al dan niet sparrend, met een ander

Over en weer inplaatsen

  • Deelnemen aan terugslagspelen met verschillende hanteringswijzen

Passeren en onderscheppen

  • Passeren en onderscheppen met verschillende hanteringswijzen en dit gebruiken bij doelspelen

Werpen en wegspelen

  • Een speelvoorwerp met verschillende hanteringswijzen zo ver mogelijk werpen of wegspelen

Hardlopen

  • Hardlopen met het accent op versnellen over korte afstand en het langdurig kunnen lopen in een vast tempo

Atletisch springen

  • Springen om zo hoog of zo ver mogelijk te komen of een hindernis te passeren

Stoeien

  • Met elkaar staand en zittend stoeien en daarbij elkaar uit balans duwen, trekken, kantelen en werpen, controleren en zelf in balans blijven of jezelf bevrijden

Treffen

  • Deelnemen aan vormen van treffen zonder of met hulpmiddel, het voorbereiden van en plaatsen van een treffer en het voorkomen daarvan

Bewegen op muziek

  • Dansen op het ritme en de maat van de muziek en daarbij verschillende danspassen en -bewegingen combineren tot een choreografie waarbij gebruik wordt gemaakt van actuele vormen van dans. Te denken valt aan streetdance en breakdance

Fitheid

  • Bewegings- en oefencircuits, trainingsvormen en activiteiten met een grotere intensiteit van bewegen

Drijven en verplaatsen

  • Beweegactiviteiten in het water

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Bewegen & Sport doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

BS1.1/2.1/8.1 - Leren bewegen - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Voor het gemeenschappelijke vak voor alle leerlingen in de bovenbouw van alle sectoren:

  • Laat leerlingen zich in deze fase binnen hun eigen mogelijkheden verdiepen in bekende activiteiten.
  • Bied de leerlingen de kans binnen hun eigen mogelijkheden de beginselen te leren van onbekende activiteiten / te verbreden.
  • Zorg voor voldoende variatie in het aanbod van beweegactiviteiten. Het aanbod sluit aan bij de beweeguitdagingen die leidend waren voor het aanbod in de voorafgaande fasen.
  • Bied leerlingen de ruimte om zelf te kiezen voor bepaalde activiteiten (als onderdeel van de vorming van de eigen beweegidentiteit). Per sector kan de keuzeruimte voor de leerlingen variëren.

Voor het keuze-examenvak LO2 in de bovenbouw van het vmbo (GT/TL)* en het keuze-examenvak BSM in de bovenbouw van havo en vwo:

  • Het beter leren bewegen in een breed aanbod aan bewegingsactiviteiten staat hier vooral in dienst van het beter kunnen begeleiden van zulke activiteiten.
  • Het aanbod is ook bedoeld om de leerlingen zich echt te laten verdiepen binnen de eigen mogelijkheden. Dan gaat het er niet alleen om er vaardiger in te worden, maar ook om de activiteit beter te leren doorgronden (qua kennis en inzicht).
  • Het aanbod moet verdiepen op datgene dat in de onderbouw en het gemeenschappelijke vak in de bovenbouw is geleerd.
  • Laat leerlingen zich bekwamen in een breed aanbod aan beweegactiviteiten, maar bied de leerlingen ook keuzemogelijkheden.

* Deze aanbevelingen zijn in beginsel niet bedoeld voor de beroepsgerichte profiel- en keuzevakken. Dat gaat in dit verband met name om Ondersteuning bij sport- en bewegingsactiviteiten (1628) en Voeding en beweging (1913). Bij een mogelijke herziening van de examenprogramma’s voor deze vakken ligt het wel voor de hand om die examenprogramma’s ook te spiegelen aan deze aanbevelingen voor de bovenbouw.

BS1.1/2.1/8.1 - Leren bewegen - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Voor het gemeenschappelijke vak voor alle leerlingen in de bovenbouw van alle sectoren:

  • Laat leerlingen zich in deze fase binnen hun eigen mogelijkheden verdiepen in bekende activiteiten.
  • Bied de leerlingen de kans binnen hun eigen mogelijkheden de beginselen te leren van onbekende activiteiten / te verbreden.
  • Zorg voor voldoende variatie in het aanbod van beweegactiviteiten. Het aanbod sluit aan bij de beweeguitdagingen die leidend waren voor het aanbod in de voorafgaande fasen.
  • Bied leerlingen de ruimte om zelf te kiezen voor bepaalde activiteiten (als onderdeel van de vorming van de eigen beweegidentiteit). Per sector kan de keuzeruimte voor de leerlingen variëren.

Voor het keuze-examenvak LO2 in de bovenbouw van het vmbo (GT/TL)* en het keuze-examenvak BSM in de bovenbouw van havo en vwo:

  • Het beter leren bewegen in een breed aanbod aan bewegingsactiviteiten staat hier vooral in dienst van het beter kunnen begeleiden van zulke activiteiten.
  • Het aanbod is ook bedoeld om de leerlingen zich echt te laten verdiepen binnen de eigen mogelijkheden. Dan gaat het er niet alleen om er vaardiger in te worden, maar ook om de activiteit beter te leren doorgronden (qua kennis en inzicht).
  • Het aanbod moet verdiepen op datgene dat in de onderbouw en het gemeenschappelijke vak in de bovenbouw is geleerd.
  • Laat leerlingen zich bekwamen in een breed aanbod aan beweegactiviteiten, maar bied de leerlingen ook keuzemogelijkheden.

* Deze aanbevelingen zijn in beginsel niet bedoeld voor de beroepsgerichte profiel- en keuzevakken. Dat gaat in dit verband met name om Ondersteuning bij sport- en bewegingsactiviteiten (1628) en Voeding en beweging (1913). Bij een mogelijke herziening van de examenprogramma’s voor deze vakken ligt het wel voor de hand om die examenprogramma’s ook te spiegelen aan deze aanbevelingen voor de bovenbouw.

Gezond bewegen

BS3.1/8.2 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

BS3.1/8.2 - Gezond bewegen

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

De bouwsteen Gezond bewegen hangt samen met:

Mens & Natuur 2.1 over Gezondheid

  • Bij B&S leren leerlingen over bewegen in relatie tot hun eigen welbevinden
  • Bij M&N leren de leerlingen zich te verhouden tot hun eigen eetgewoonten in relatie tot hun gezondheid, over de balans tussen energie-inname en energieverbruik

Mens en Maatschappij 4.1 over Welzijn

  • Bij B&S leren leerlingen dat een actieve leefstijl een positieve invloed heeft op de gezondheid van mensen en hun welzijn
  • Bij M&M leren de leerlingen over (maatschappelijke en persoonlijke) aspecten van welzijn en welbevinden. Gezondheid, met onder meer een actieve leefstijl die daaraan bijdraagt, maakt daar deel van uit.

BS3.1/8.2 - Gezond bewegen - Toelichting

Algemeen

De bouwsteen Gezond bewegen verwijst naar en is de uitwerking van de volgende grote opdrachten:

  • Grote opdracht 3: Actieve en gezonde leefstijl
  • Grote opdracht 8: Bewegen binnen eigen mogelijkheden

De leerlingen leren binnen deze bouwsteen over veilig en verantwoord bewegen (onder andere de kans op blessures bij jezelf en anderen verkleinen), over de effecten van verschillende vormen van bewegen en over de relatie tussen bewegen en gezondheid in bredere zin. Zo raken leerlingen steeds beter in staat om zelf een actieve en gezonde leefstijl vorm te geven.

Opbouw doorlopende leerlijn

Kenmerkend voor deze bouwsteen is dat er een duidelijke ontwikkeling is van onbewust naar bewust. Waar leerlingen in eerste instantie leren door te ervaren (onbewust), zal in latere fasen bewustwording een grotere rol spelen. Gaandeweg leren leerlingen de eigen mogelijkheden en grenzen kennen, keuzes maken en realistische doelen stellen ten aanzien van een actieve leefstijl. Bij dit alles zijn leerlingen eerst vooral gericht op zichzelf en de directe omgeving, in een later stadium wordt hun leefwereld groter en kijken zij ook naar de leefstijl van anderen en vergelijken zij zichzelf met anderen.

Brede vaardigheden

Kritisch denken:

  • argumenteren hoe beweegactiviteiten kunnen bijdragen aan gezondheid
  • de eigen leefstijl kunnen beoordelen
  • de leefstijl van anderen kritisch bekijken en gebruiken om ervan te leren

Zelfregulering:

  • het eigen beweeggedrag op een veilige en gezonde manier kunnen reguleren

Oriëntatie op jezelf:

  • een open en flexibele houding ontwikkelen, mede in het kader van een actieve leefstijl en een leven lang bewegen

Samenhang met andere leergebieden

Het thema gezondheid is binnen Curriculum.nu een mondiaal thema. Binnen dit thema wordt gezondheid omschreven als ‘Een toestand van volledig fysiek, geestelijk en sociaal welbevinden en niet van louter het ontbreken van ziekte’ en ‘Het vermogen zich aan te passen en een eigen regie te voeren, in het licht van de fysieke, emotionele en sociale uitdagingen van het leven’. De bouwsteen Gezond bewegen richt zich op de bijdrage die bewegen kan leveren aan het eigen welbevinden.

Bij de leergebieden Mens & Maatschappij leren de leerlingen over andere aspecten van gezondheid dan actieve leefstijl. In de bouwsteen Welzijn leren de leerlingen over (maatschappelijke en persoonlijke) aspecten van welzijn en welbevinden. Gezondheid, met onder meer een actieve leefstijl die daaraan bijdraagt, maken daar deel van uit.

Bij Mens & Natuur leren de leerlingen in de bouwsteen Gezondheid over voeding en leefstijl in relatie tot gezondheid.

Leerlingen leren een positieve attitude t.a.v. gezond en veilig bewegen. Ze ervaren beweegactiviteiten met verschillende inspanningsniveaus en betrekken dat op zichzelf.

BS3.1/8.2 - Gezond bewegen - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

Gezond bewegen start met het beleven van plezier en het opdoen van succesvolle leerervaringen binnen de context van Bewegen & Sport. Dat vormt de essentiële basis voor een actieve leefstijl later.

Kennis en vaardigheden

Veilig en verantwoord bewegen

Leerlingen leren:

  • de aangeboden beweegactiviteiten veilig uit te voeren.

Intensief bewegen

Leerlingen leren:

  • met plezier deel te nemen aan beweegactiviteiten van verschillende inspanningsniveaus.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

Kenmerkend voor deze fase is dat de leerlingen gericht naar zichzelf kijken. Leerlingen kunnen in deze fase een positieve attitude ontwikkelen ten aanzien van veilig en gezond bewegen. Door te reflecteren op hun ervaringen maken leerlingen bewuster kennis met verschillende inspanningsniveaus en leren hier een waardering aan te geven. Verder worden leerlingen zich bewust van de relatie tussen een actieve leefstijl en gezondheid.

Kennis en vaardigheden

Veilig en verantwoord bewegen

Leerlingen leren:

  • de aangeboden beweegactiviteit veilig uit te voeren;
  • de eigen mogelijkheden en grenzen verkennen om deel te kunnen nemen aan beweegactiviteiten zonder dat er onverantwoorde risico’s ontstaan op blessures of overbelasting.

Intensief bewegen

Leerlingen leren:

  • beweegactiviteiten op verschillende inspanningsniveaus uit te voeren en die als zodanig te herkennen. Te denken valt aan: ontspannen bewegen, intensief bewegen, et cetera;
  • dat een actieve leefstijl bijdraagt aan fitheid en gezondheid.

Leerlingen leren hun eigen mogelijkheden kennen, keuzes maken en doelen stellen ten aanzien van een actieve leefstijl. Ze leren de relatie aan te geven tussen beweegsituaties en gezondheid.

BS3.1/8.2 - Gezond bewegen - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In deze fase wordt de bewustwording vergroot. Voorkeuren voor o.a. bepaalde inspanningsniveaus worden verder ontwikkeld. Leerlingen leren hun eigen grenzen beter kennen, maken keuzes en stellen vervolgens realistische doelen ten aanzien van een actieve leefstijl. Daarnaast kunnen de leerlingen van beweegsituaties, waar zij aan deelnemen of naar kijken, aangeven in hoeverre een relatie met gezondheid een rol speelt. Hiervoor is kennis over gezondheid en actieve leefstijl nodig.

Kennis en vaardigheden

Veilig en verantwoord bewegen

Leerlingen leren:

  • de aangeboden beweegactiviteit veilig uit te voeren;
  • er voor anderen voor te zorgen dat de activiteit veilig en verantwoord is;
  • de eigen mogelijkheden en grenzen kennen om deel te kunnen nemen aan beweegactiviteiten zodat de kans op blessures of overbelasting zo klein mogelijk is.

Intensief bewegen

Leerlingen leren:

  • beweegactiviteiten op verschillende inspanningsniveaus uit te voeren en daar plezier en voldoening uit te halen;
  • benoemen hoe beweegactiviteiten bijdragen aan een actieve leefstijl, fitheid en gezondheid en weten hoe daarnaar te handelen;
  • wat het advies is met betrekking tot kwaliteit en kwantiteit van bewegen voor kinderen en jongeren (beweegrichtijnen).

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Bewegen & Sport doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

BS3.1/8.2 - Gezond bewegen - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Voor het gemeenschappelijke vak voor alle leerlingen in de bovenbouw van alle sectoren:

  • Leerlingen moeten leren een trainingsprogramma voor een zelfgekozen aspect van fitheid op te zetten, uit te voeren en te evalueren. Besteed daarbij aandacht aan de relatie tussen trainen en bijdragen aan de eigen gezondheid. Hiervoor is een verdiept begrip van het concept gezondheid noodzakelijk.

Voor het keuze-examenvak LO2 in de bovenbouw van het vmbo (GT/TL) en het keuze-examenvak BSM in de bovenbouw van havo en vwo:

  • In de keuze-examenvakken vindt verdieping plaats ten opzichte van het gemeenschappelijk programma. Belangrijke onderwerpen zijn: verdieping in trainingsleer en het testen van fitheid, het opzetten, uitvoeren, begeleiden en evalueren van trainingsprogramma’s voor zichzelf en voor anderen, blessurepreventie en -behandeling en het verlenen van EHBSO.
  • Bijzondere aandacht moet uitgaan naar de relatie tussen het verbeteren van fitheid en het vergroten van welbevinden.

BS3.1/8.2 - Gezond bewegen - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Voor het gemeenschappelijke vak voor alle leerlingen in de bovenbouw van alle sectoren:

  • Leerlingen moeten leren een trainingsprogramma voor een zelfgekozen aspect van fitheid op te zetten, uit te voeren en te evalueren. Besteed daarbij aandacht aan de relatie tussen trainen en bijdragen aan de eigen gezondheid. Hiervoor is een verdiept begrip van het concept gezondheid noodzakelijk.

Voor het keuze-examenvak LO2 in de bovenbouw van het vmbo (GT/TL) en het keuze-examenvak BSM in de bovenbouw van havo en vwo:

  • In de keuze-examenvakken vindt verdieping plaats ten opzichte van het gemeenschappelijk programma. Belangrijke onderwerpen zijn: verdieping in trainingsleer en het testen van fitheid, het opzetten, uitvoeren, begeleiden en evalueren van trainingsprogramma’s voor zichzelf en voor anderen, blessurepreventie en -behandeling en het verlenen van EHBSO.
  • Bijzondere aandacht moet uitgaan naar de relatie tussen het verbeteren van fitheid en het vergroten van welbevinden.

Bewegen betekenis geven

BS4.1/8.3 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

BS4.1/8.3 - Bewegen betekenis geven

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Bouwsteen Bewegen betekenis geven hangt samen met:

Burgerschap 4.1 over Identiteit

  • Bij B&S onderzoeken en ontwikkelen leerlingen hun beweegidentiteit
  • Bij BU staat het onderzoek naar de identiteit centraal

Burgerschap 11 over Denk en handelwijzen (11.6 Affectieve empathie en 11.7 Cognitieve empathie)

  • Bij B&S onderzoeken en ontwikkelen leerlingen hun beweegidentiteit, hoe zij aan bewegen betekenis geven
  • Bij BU komen vormen van empathie aan de orde die nodig zijn om zich te kunnen verplaatsen in hoe anderen bewegen betekenis geven

Mens en Maatschappij 6.1 over Mensbeeld en identiteit

  • Bij B&S onderzoeken en ontwikkelen leerlingen hun beweegidentiteit
  • Bij M&M leren leerlingen over meerdere invalshoeken op het begrip identiteit, vanuit het perspectief van persoonlijke identiteit, sociale identiteit en collectieve identiteit

BS4.1/8.3 - Bewegen betekenis geven - Toelichting

Algemeen

De bouwsteen Bewegen betekenis geven verwijst naar en is de uitwerking van de volgende grote opdrachten:

  • Grote opdracht 4 - Beweegidentiteit
  • Grote opdracht 8 - Bewegen op eigen niveau

Identiteit verwijst naar dat wat een persoon definieert en onderscheidt. In de context van bewegen en sport gebruiken we de term ‘beweegidentiteit’. Beweegidentiteit is wat een persoon definieert als beweger en wat hem daarin van anderen onderscheidt.

De beweegidentiteit wordt in allerlei contexten gevormd, zoals op pleintjes, de sportvereniging, met vrienden, in competitieverband, et cetera. Beweegidentiteit wordt grotendeels onbewust gevormd door ervaringen die leerlingen opdoen. Succeservaringen hebben een positieve invloed op hoe leerlingen ten opzichte van bewegen staan. De school biedt de mogelijkheid om leerlingen kennis en vaardigheden mee te geven die hen helpen om deze identiteit bewust te vormen. De beweegidentiteit ligt niet vast, maar kan verschuiven per levensfase. Er is samenhang met alle andere bouwstenen.

De bouwsteen bestaat uit drie vaardigheden die in een cyclisch proces aan bod komen:

  • Verkennen: oriënteren op en ervaren van nieuwe en/of bekende beweegactiviteiten.
  • Reflecteren: reflecteren op beweegactiviteiten, gemaakte keuzes en beweegmotieven.
  • Kiezen: op basis van verkennen en reflecteren een keuze maken.

Leerlingen verkennen hun eigen inbreng in beweegsituaties op drie manieren, namelijk in de breedte, in de diepte en door middel van reflectieve verkenning. Een verkenning in de breedte houdt in dat leerlingen op verschillende manieren kennismaken met nieuwe leerinhouden waar zij nog weinig tot niets van afweten. De verkenning in de diepte houdt in dat leerlingen een bepaalde leerinhoud vaker uitproberen op basis van eigen keuzes en in verschillende beweegcontexten binnen en buiten het leergebied Bewegen & Sport. Wanneer leerlingen deze cycli een aantal malen hebben doorlopen, kan er een reflectieve verkenning over het geheel van beweegsituaties plaatsvinden. Leerlingen leren via deze cyclus voor welke beweegsituatie(s) zij een voorkeur hebben en wat bij hen past. Zo vormen de leerlingen bewust(er) een eigen beweegidentiteit.

Opbouw doorlopende leerlijn

De doorlopende leerlijn van deze bouwsteen zit in de toenemende complexiteit van de beweegsituatie(s) die de leerlingen verkennen, waarop zij reflecteren en waarin zij keuzes maken. In eerste instantie zal dat vooral aanbodgestuurd zijn en nog tamelijk onbewust. Naarmate zij verder in dit proces zijn, worden zij ook uitgedaagd om zich actief op te stellen in dit proces en zelf (bewuste) keuzes te maken met betrekking tot bewegen en sport, waardoor de leerlingen de cyclus steeds meer bewust zullen doorlopen.

Brede vaardigheden

Deze bouwsteen gaat over de vorming van identiteit. Aspecten uit de brede vaardigheden Oriëntatie op jezelf en Zelfregulering zijn relevant voor het leergebied Bewegen & Sport.

Oriëntatie op jezelf:

  • kiezen tussen beweegniveaus, -situaties en -motieven
  • ontdekken van eigen beweeg- en sporttalenten
  • waarderen van eigen beweeg- en sporttalenten
  • ontdekken en waarderen van eigen wensen, normen en waarden die van belang zijn als hij/zij sport en beweegt
  • inzicht krijgen in eigen beweegniveaus en -motieven
  • verantwoordelijkheid nemen voor het eigen handelen
  • inzicht krijgen in eigen beweegdoelen, -motieven en - capaciteiten
  • een open en flexibele houding ontwikkelen ten opzichte van de sport- en beweegwereld om hen heen, mede in het kader van een leven lang leren

Zelfregulering:

  • een beweegsituatie in verband brengen met eerdere ervaringen
  • de moeilijkheidsgraad van een beweegsituatie of de kans op succes voor zichzelf inschatten
  • kiezen op welk niveau de beweeguitdaging wordt aangegaan

Samenhang met andere leergebieden

Het begrip identiteit wordt ook gebruikt in andere leergebieden. Bij het leergebied Mens & Maatschappij leren de leerlingen in de bouwsteen ‘Mensbeeld en identiteit’ over het begrip identiteit vanuit het perspectief van persoonlijke identiteit, sociale identiteit en collectieve identiteit. Bij het leergebied Burgerschap leren de leerlingen in de bouwsteen ‘identiteit’ vanuit een breder perspectief over identiteit.

Leerlingen ontwikkelen hun beweegidentiteit eerst vooral onbewust door te doen. Later wordt dat bewuster en neemt de invloed van anderen en van bewegen in verschillende contexten toe.

BS4.1/8.3 - Bewegen betekenis geven - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

De leerlingen verkennen middels speelse vormen verschillende beweegsituaties. De leerlingen blikken vooral terug op wat zij al wel en niet kunnen en hoe zij dit ervaren. Dit bepaalt mede of de leerlingen de activiteit (nogmaals) willen doen. Dit proces speelt zich in deze fase voornamelijk onbewust af. Doordat leerlingen samen bewegen, zien zij hoe andere leerlingen bewegen en dit kan prikkelen om zelf ook iets nieuws uit te proberen.

Kennis en vaardigheden

Verkennen

Leerlingen leren:

  • oriënteren op een breed scala aan nieuwe en/of bekende beweegactiviteiten door die te ervaren.

Reflecteren

Leerlingen leren:

  • reflecteren op hun eigen niveau binnen verschillende beweegactiviteiten en –situaties en waar zij plezier aan beleven.

Kiezen

Leerlingen leren:

  • kiezen op welk niveau zij aan verschillende beweegactiviteiten willen deelnemen.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In deze fase komen leerlingen nieuwe en bekende beweegsituaties tegen, met daarin een grotere diversiteit aan aspecten van beweegcontexten. Leerlingen leren daarbij reflecteren op wat het betekent als je iets wel of niet goed kunt, een beweegsituatie leuk of niet leuk vindt, hoe je daar mee om kan gaan en hoe dat de keuzes die je maakt beïnvloedt. Bij het waarderen en kiezen van een activiteit speelt niet alleen de eigen ervaring een rol, maar ook de keuze van ‘de ander’.

Kennis en vaardigheden

Verkennen

Leerlingen leren:

  • oriënteren op en ervaren van nieuwe en/of bekende beweegactiviteiten met verschillende aspecten van beweegcontexten.

Reflecteren

Leerlingen leren:

  • reflecteren op het eigen niveau en de eigen waardering voor die beweegactiviteiten, eigen gemaakte keuzes en beweegmotieven;
  • beweegkeuze(s) van anderen waarderen en respecteren.

Kiezen

Leerlingen leren:

  • kiezen tussen verschillende beweegactiviteiten, -niveaus en -motieven.

Leerlingen verkennen hun eigen beweegmotieven en voorkeuren door deel te nemen aan bewegen in diverse contexten. Afhankelijkheid van groepsnormen speelt daarbij een grote rol.

BS4.1/8.3 - Bewegen betekenis geven - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

Leerlingen proberen in deze fase antwoord te vinden op vragen over wie zij zijn, waar ze voor staan en waarvoor ze willen gaan. Zij verkennen verschillende persoonlijke beweegmotieven, zoals sporten voor de show, sporten voor de kick of om je eigen grenzen te verleggen. Er wordt steeds meer vanuit de beweegvraag van de leerlingen geredeneerd. Een individu kan meerdere motieven naast elkaar hebben en kan hierin ook snel wisselen. Leerlingen maken daar een voorlopige keuze in. Bij het waarderen van deze motieven spelen maatschappelijke normen en sociale druk (groepsnormen) een grote rol.

Kennis en vaardigheden

Verkennen

Leerlingen leren:

  • oriënteren op en ervaren van nieuwe en/of bekende beweegactiviteiten met verschillende aspecten van beweegcontexten.

Reflecteren

Leerlingen leren:

  • reflecteren op verschillen tussen beweegactiviteiten, keuzes die je daarin kunt maken en persoonlijke beweegmotieven;
  • beweegkeuze(s) van anderen vergelijken met de eigen keuzes en waarderen en respecteren.

Kiezen

Leerlingen leren:

  • kiezen tussen verschillende beweegactiviteiten, -niveaus en –motieven.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Bewegen & Sport doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

BS4.1/8.3 - Bewegen betekenis geven - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Voor het gemeenschappelijke vak voor alle leerlingen in de bovenbouw van alle sectoren:

  • Laat leerlingen in deze fase hun eigen kwaliteiten en voorkeuren meer in de diepte verkennen en laat ze nagaan wat die kwaliteiten en voorkeuren kunnen betekenen in hun eigen (toekomstige) leven. Daarbij gaat het nadrukkelijker dan eerder ook over verschillen tussen aspecten van beweegcontexten en motieven voor deelname.
  • Betrek daarin de verschillen tussen mensen op dit thema (sportief gedrag, omgaan met winst en verlies, deelname-niveau, deelnamemotieven, culturele achtergrond) en de manier om daar zo goed mogelijk mee om te gaan.

Voor het keuze-examenvak LO2 in de bovenbouw van het vmbo (GT/TL) en het keuze-examenvak BSM in de bovenbouw van havo en vwo:

  • De leerlingen in BSM en LO2 verdiepen zich in de vraag wat deelnemen aan bewegen voor anderen kan betekenen en welke rol bewegen en sport speelt in de actuele samenleving.
  • Besteed aandacht aan het maken van een onderbouwde keuze voor een vervolgopleiding of een rol in het werkveld van bewegen en sport.

BS4.1/8.3 - Bewegen betekenis geven - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Voor het gemeenschappelijke vak voor alle leerlingen in de bovenbouw van alle sectoren:

  • Laat leerlingen in deze fase hun eigen kwaliteiten en voorkeuren meer in de diepte verkennen en laat ze nagaan wat die kwaliteiten en voorkeuren kunnen betekenen in hun eigen (toekomstige) leven. Daarbij gaat het nadrukkelijker dan eerder ook over verschillen tussen aspecten van beweegcontexten en motieven voor deelname.
  • Betrek daarin de verschillen tussen mensen op dit thema (sportief gedrag, omgaan met winst en verlies, deelname-niveau, deelnamemotieven, culturele achtergrond) en de manier om daar zo goed mogelijk mee om te gaan.

Voor het keuze-examenvak LO2 in de bovenbouw van het vmbo (GT/TL) en het keuze-examenvak BSM in de bovenbouw van havo en vwo:

  • De leerlingen in BSM en LO2 verdiepen zich in de vraag wat deelnemen aan bewegen voor anderen kan betekenen en welke rol bewegen en sport speelt in de actuele samenleving.
  • Besteed aandacht aan het maken van een onderbouwde keuze voor een vervolgopleiding of een rol in het werkveld van bewegen en sport.

Bewegen regelen

BS5.1/8.4 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

BS5.1/8.4 - Bewegen regelen

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Bouwsteen Bewegen regelen hangt samen met:

Burgerschap 2.1 over Macht en inspraak

  • Bij B&S oefenen leerlingen met rollen en taken en het organiseren van beweegactiviteiten
  • Voor BU is dat een belangrijke context om vaardigheden te oefenen (communicatie en conflicthantering, handelingsvermogen) en te oefenen met vormen van inspraak

Burgerschap 11 over Denk en handelwijzen (11.2 Overleg en conflicthantering en 11.3 - Handelingsperspectief)

  • Bij B&S vergroten leerlingen hun deelnamemogelijkheden binnen de wereld van bewegen en sport doordat zij bewegen steeds beter leren regelen
  • Voor BU is dat een context waarin leerlingen overleg en conflicthantering kunnen oefenen
  • En bij BU verkennen en vergroten leerlingen hun handelingsperspectief - waar mogelijk ook dat van anderen

BS5.1/8.4 - Bewegen regelen - Toelichting

Algemeen

De bouwsteen Bewegen regelen verwijst naar en is de uitwerking van de volgende grote opdrachten:

  • Grote opdracht 5 - Taken en rollen in beweegsituaties
  • Grote opdracht 8 - Bewegen op eigen niveau

Leerlingen leren bij bewegen en sport hoe ze met elkaar een beweegactiviteit kunnen opstarten, op gang houden en afronden. Dit zorgt ervoor dat leerlingen ook buiten de lessen bewegen en sport beweegactiviteiten en bewegen kunnen opstarten, op gang houden en afronden. Onderdelen binnen deze bouwsteen zijn het inrichten, aanpassen en opruimen van beweegarrangementen, maar ook welke regels en afspraken nodig zijn om een beweegactiviteit uit te kunnen voeren. De leerlingen leren regelende rollen te vervullen zoals hulpverlenen, instrueren, organiseren en ontwerpen, coachen en begeleiden. Er is samenhang met alle bouwstenen (Leren bewegen, Gezond bewegen, Bewegen betekenis geven, Samen bewegen en Beweegcontexten verbinden).

Opbouw doorlopende leerlijn

De opbouw van de doorlopende leerlijn kent vier aspecten, namelijk de omgang met het materiaal en het arrangement, het toepassen van regels en afspraken, het begeleiden van het bewegen en het begeleiden van beweegactiviteiten.

Materiaal & Arrangementen:

  • een arrangement inrichten en aanpassen met materiaal

Regels & Afspraken:

  • van eenvoudige naar complexe beweegactiviteiten regelen
  • van samen met anderen naar alleen beweegactiviteiten regelen
  • van aangereikte regels en afspraken toepassen naar zelf regels afspreken en aanpassen

Begeleiden van bewegen:

  • van minder naar meer risicovolle activiteiten hulpverlenen

Begeleiden van beweegactiviteiten:

  • van een enkel aandachtspunt op het gebied van instrueren, ontwerpen, organiseren en leiding geven (coachen/begeleiden, jureren/scheidsrechteren) in een eenvoudige beweegactiviteit naar meerdere aandachtspunten om op te begeleiden, functioneren in meerdere rollen, in complexere beweegactiviteiten

Brede vaardigheden

Communiceren:

  • communiceren over gebruik van regels en afspraken binnen een beweegactiviteit
  • op een gepaste manier aanwijzingen geven zodat de ander beter gaat bewegen
  • de bedoeling van een beweegactiviteit aan medeleerlingen uitleggen

Samenwerken:

  • met elkaar de beweegactiviteit opstarten, op gang houden en afronden
  • samen tot afspraken komen om de beweegactiviteit uit te kunnen voeren
  • met elkaar verdelen van taken en rollen

Samenhang met andere leergebieden

Leerlingen leren het belang van regels en afspraken om samen te bewegen. Ook leren zij dat er verschillende taken en rollen zijn. Niet alleen bij samen bewegen, maar in de hele maatschappij zijn er regels, taken en rollen om samen te kunnen leven. Bij het leergebied Burgerschap wordt de bouwsteen Bewegen regelen gezien als belangrijke praktische context om de kennis en vaardigheden van de bouwstenen Vrijheid en gelijkheid en Macht en inspraak te oefenen.

Leerlingen leren de aangeboden beweegactiviteiten met aangereikte regels en afspraken zelfstandig op gang brengen, houden en afronden. Zij verkennen daarbij het functioneren in meerdere rollen.

BS5.1/8.4 - Bewegen regelen - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

In deze fase staat centraal dat de leerlingen eenvoudige beweegactiviteiten met aangereikte (spel)regels en afspraken onder begeleiding op gang kunnen brengen, houden en afronden. Hierbij kunnen ze bijvoorbeeld helpen met het klaarleggen, terugleggen en opruimen van kleine materialen. Kennismaken met verschillende taken binnen beweegactiviteiten komt aan de orde om de activiteit op gang te houden.

Kennis en vaardigheden

Materiaal & Arrangementen

Leerlingen leren:

  • een eenvoudig arrangement inrichten, aanpassen of opruimen met klein materiaal.

Regels & Afspraken

Leerlingen leren:

  • aangereikte regels toepassen in arrangementen.

Begeleiden van bewegen

Leerlingen leren:

  • bij een eenvoudige beweegactiviteit hulp bieden;
  • bij een eenvoudige beweegactiviteit aanwijzingen geven aan de hand van enkele eenvoudige en aangereikte aandachtspunten.

Begeleiden van beweegactiviteiten

Leerlingen leren:

  • een eenvoudige beweegactiviteit begeleiden aan de hand van een enkelvoudige taak.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In deze fase staat centraal dat de leerlingen complexere beweegactiviteiten met aangereikte (spel)regels en afspraken zelfstandig op gang kunnen brengen, houden en afronden. Ze maken kennis met het klaarleggen van de materialen en het verplaatsen van toestellen. Het uitvoeren van verschillende rollen binnen beweegactiviteiten wordt zelfstandiger. Leerlingen helpen andere leerlingen in hun bewegen tijdens complexere beweegactiviteiten. Zij verkennen ook rollen om een activiteit op gang te houden; het leiden van een spel en het helpen van anderen door middel van manueel hulpverlenen of instrueren en coachen.

Kennis en vaardigheden

Materiaal & Arrangementen

Leerlingen leren:

  • een eenvoudig arrangement inrichten, aanpassen en afronden met zowel klein als groter materiaal;
  • taken verdelen bij het opruimen van de activiteit.

Regels & Afspraken

Leerlingen leren:

  • regels toepassen in arrangementen en aan te passen.

Begeleiden van bewegen

Leerlingen leren:

  • hulp bieden bij bewegen bij een complexere beweegactiviteit;
  • aanwijzingen geven aan de hand van meerdere eenvoudige en aangereikte aandachtspunten bij een complexere beweegactiviteit.

Begeleiden van beweegactiviteiten

Leerlingen leren:

  • een eenvoudige beweegactiviteit begeleiden vanuit meerdere taken;
  • een complexere beweegactiviteit begeleiden aan de hand van een eenvoudige taak.

De leerlingen leren complexere beweegactiviteiten zelfstandig op gang te brengen, te houden en af te ronden. Zij hebben zelf meer invloed op regels en afspraken en de taken en rollen worden complexer.

BS5.1/8.4 - Bewegen regelen - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In deze fase staat centraal dat de leerlingen complexere beweegactiviteiten met aangereikte (spel)regels en afspraken zelfstandig op gang kunnen brengen, op gang kunnen houden en kunnen afronden. De rollen en taken die er zijn, zijn complexer dan fase 1 en 2.

Kennis en vaardigheden

Materiaal & Arrangementen

Leerlingen leren:

  • zelfstandig een eenvoudig arrangement inrichten, aanpassen of opruimen met en van materiaal.

Regels & Afspraken

Leerlingen leren:

  • zelfstandig regels afspreken voor een goed verloop van de activiteit;
  • regels aanpassen als de activiteit niet goed loopt of niet interessant meer is;
  • afspraken maken over verdeling van rollen en taken om de activiteit op te starten en op gang te houden.

Begeleiden van bewegen

Leerlingen leren:

  • bij een complexere beweegactiviteit hulp bieden bij bewegen;
  • op basis van eenvoudige criteria bewegingssituaties observeren en analyseren en een aanwijzing geven aan medeleerlingen.

Begeleiden van beweegactiviteiten

Leerlingen leren:

  • eenvoudige leidinggevende rollen vervullen zoals(hulp)scheidsrechter, (hulp)instructeur, (hulp)coach, et cetera;
  • eenvoudige jury-activiteiten uitvoeren;
  • eenvoudige beweegactiviteiten ontwerpen en organiseren.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Bewegen & Sport doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

BS5.1/8.4 - Bewegen regelen - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Voor het gemeenschappelijke vak voor alle leerlingen in de bovenbouw van alle sectoren:

  • Bied leerlingen de kans zich te verdiepen in het zelf aanpassen van arrangementen en afspraken bij beweegactiviteiten aan de eigen wensen en doelen van de deelnemers.
  • Het onderling verdelen en vervullen van regelende taken - die horen bij de beweegactiviteiten die in de lessen centraal staan - is daar een onderdeel van. Geef leerlingen de kans om te kiezen in welke regelende rollen en taken zij zich willen verdiepen.

Voor het keuze-examenvak LO2 in de bovenbouw van het vmbo (GT/TL) en het keuze-examenvak BSM in de bovenbouw van havo en vwo:

  • Het regelen van bewegen staat hier vooral in dienst van het begeleiden van beweegactiviteiten voor anderen. De verdieping is gericht op kennis en vaardigheden om de activiteiten die begeleid worden beter te laten verlopen, in overeenstemming met de bedoelingen en de context van de activiteit en daarbij de veiligheid te bewaken.
  • Het is gewenst dat leerlingen zich ontwikkelen in meerdere regelende rollen. Daarbij kunnen zij wel keuzes maken t.a.v. de situatie waarin zij die kunnen laten zien.
  • Essentieel is aandacht voor het voorbereiden, verzorgen en evalueren van (een deel van) een les en / of beweegactiviteiten in andere contexten. Het laten opdoen van ervaring in een stage of externe opdracht hoort daarbij uitdrukkelijk tot de mogelijkheden.

BS5.1/8.4 - Bewegen regelen - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Voor het gemeenschappelijke vak voor alle leerlingen in de bovenbouw van alle sectoren:

  • Bied leerlingen de kans zich te verdiepen in het zelf aanpassen van arrangementen en afspraken bij beweegactiviteiten aan de eigen wensen en doelen van de deelnemers.
  • Het onderling verdelen en vervullen van regelende taken - die horen bij de beweegactiviteiten die in de lessen centraal staan - is daar een onderdeel van. Geef leerlingen de kans om te kiezen in welke regelende rollen en taken zij zich willen verdiepen.

Voor het keuze-examenvak LO2 in de bovenbouw van het vmbo (GT/TL) en het keuze-examenvak BSM in de bovenbouw van havo en vwo:

  • Het regelen van bewegen staat hier vooral in dienst van het begeleiden van beweegactiviteiten voor anderen. De verdieping is gericht op kennis en vaardigheden om de activiteiten die begeleid worden beter te laten verlopen, in overeenstemming met de bedoelingen en de context van de activiteit en daarbij de veiligheid te bewaken.
  • Het is gewenst dat leerlingen zich ontwikkelen in meerdere regelende rollen. Daarbij kunnen zij wel keuzes maken t.a.v. de situatie waarin zij die kunnen laten zien.
  • Essentieel is aandacht voor het voorbereiden, verzorgen en evalueren van (een deel van) een les en / of beweegactiviteiten in andere contexten. Het laten opdoen van ervaring in een stage of externe opdracht hoort daarbij uitdrukkelijk tot de mogelijkheden.

Samen bewegen

BS6.1/8.5 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

BS6.1/8.5 - Samen bewegen

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Bouwsteen Samen bewegen hangt samen met:

Burgerschap 2.1 over Macht en inspraak

  • Bij B&S worden leerlingen uitgedaagd om samen beweegactiviteiten te organiseren en uit te voeren
  • Voor BU is dat een belangrijke context om vaardigheden rond burgerschap zoals overleggen, samenwerken, het sluiten van compromissen (enzovoorts) te oefenen

Burgerschap 11 over Denk en handelwijzen (11.2 Overleg en conflicthantering, 11.6 Affectieve empathie en 11.7 Cognitieve empathie)

  • Bij B&S worden leerlingen uitgedaagd om samen beweegactiviteiten te organiseren en uit te voeren
  • Voor BU is dat een context waarin leerlingen overleg en conflicthantering kunnen oefenen
  • Bij BU komen beide vormen van empathie aan de orde die nodig zijn om samen te kunnen bewegen

Mens en Maatschappij 7.2 over Samenwerking en conflict

  • Bij B&S worden leerlingen uitgedaagd om samen (met elkaar en tegen elkaar) beweegactiviteiten te organiseren en uit te voeren
  • Bij M&M leren de leerlingen over conflicten en samenwerken op allerlei schaalniveaus

Nederlands 1.2 over Interactie ten behoeve van taal- en denkontwikkeling

  • Bij B&S gebruiken laagfrequente taal, school- en vaktaal bij het samen bewegen
  • Bij NL leren leerlingen laagfrequente taal, school en vaktaal

Nederlands 5.1 over Doelgericht communiceren

  • Bij B&S gebruiken leerlingen communicatieve vaardigheden en strategieën om in beweegsituaties afspraken te maken, instructies te geven en met elkaar te overleggen.
  • Bij NL leren leerlingen communicatieve vaardigheden en strategieën in te zetten

BS6.1/8.5 - Samen bewegen - Toelichting

Algemeen

De bouwsteen Samen bewegen verwijst naar en is de uitwerking van de volgende grote opdrachten:

  • Grote opdracht 6 - Samenwerken in beweegsituaties
  • Grote opdracht 8 - Bewegen op eigen niveau

Bij het deelnemen aan beweegactiviteiten is communiceren, sociaal vaardig zijn en samenwerken van groot belang. In deze bouwsteen komen de verschillende onderdelen van de brede vaardigheid Manieren van omgaan met anderen expliciet terug. Het ontwikkelen van omgangsbekwaamheid is verweven met het proces van leren deelnemen aan beweegactiviteiten. Er is samenhang met de bouwstenen Beter leren bewegen, Bewegen regelen en Beweegcontexten verbinden.

Opbouw doorlopende leerlijn

De kennis en vaardigheden in deze bouwsteen zijn onderverdeeld in drie groepen, namelijk communiceren, sociaal vaardig worden en samenwerken. De doorlopende leerlijn is zichtbaar op verschillende manieren, van eenvoudig naar complex, van een homogene groep naar een heterogene groep en van gericht zijn op jezelf maar ook gericht zijn op anderen.

Brede vaardigheden

In deze bouwsteen komen de manieren van omgaan met anderen binnen de specifieke context van bewegen en sport aan bod. Manieren van omgaan met anderen is de verzamelnaam voor de brede vaardigheden communiceren, samenwerken en sociale en culturele vaardigheden. Aspecten van deze brede vaardigheden, relevant voor het leergebied Bewegen & Sport, zijn:

Communiceren in beweegsituaties:

  • communicatie gebruiken voor een breed scala aan doelen
  • storingen signaleren in de communicatie en waar nodig de aanpak bijstellen
  • feedback vragen, geven en ontvangen en open staan voor hulp

Sociaal vaardig worden in beweegsituaties:

  • eigen gevoelens en opvattingen benoemen
  • inlevingsvermogen en belangstelling tonen voor anderen
  • gedragscodes in verschillende sociale situaties herkennen
  • begrip tonen voor andere visies, uitingen en gedragingen en deze respecteren

Samenwerken in beweegsituaties:

  • anderen ondersteunen en begeleiden
  • in een groep functioneren
  • interpersoonlijke en probleemoplossende vaardigheden gebruiken om anderen te beïnvloeden en te begeleiden naar een doel
  • sterke punten van anderen benutten om een gezamenlijk doel te bereiken
  • verschillen respecteren
  • samen met anderen tot een goed resultaat komen
  • vertrouwen hebben in de eigen capaciteiten
  • samen verantwoordelijkheid dragen

Samenhang met andere leergebieden

Binnen andere leergebieden wordt (impliciet) gewerkt aan de brede vaardigheden die vallen onder manieren van omgaan met elkaar. De eigenheid van elk leergebied zorgt echter voor de specifieke aard van deze brede vaardigheden. Zo ook voor het leergebied Bewegen & Sport. De manier waarop binnen elk leergebied wordt gewerkt aan deze brede vaardigheden is complementair. Bij het leergebied Burgerschap wordt de bouwsteen Samen bewegen gezien als belangrijke praktische context om de kennis en vaardigheden van de bouwstenen Vrijheid en gelijkheid en Macht en inspraak te oefenen. Bij het leergebied Nederlands leren leerlingen in de bouwsteen Interactie ten behoeve van taal- en denkontwikkeling over het gebruik van vaktaal. Bij het leergebied Mens & Maatschappij leren de leerlingen in de bouwsteen Samenwerking en conflict over conflicten en samenwerken op allerlei schaalniveaus.

Mondiale thema's

De vaardigheden die leerlingen in deze bouwsteen leren, dragen bij aan het sociaal welbevinden. Dit is een belangrijk onderdeel van het mondiale thema Gezondheid.

Leerlingen worden zich bewust van hun eigen rol en gedrag en dat van anderen in beweegsituaties. Zij leren hun eigen (on)mogelijkheden en die van anderen accepteren en daarmee om te gaan.

BS6.1/8.5 - Samen bewegen - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

In deze fase maken leerlingen kennis met samen bewegen. In het begin is het nog vaak naast elkaar, maar later ook met elkaar of tegen elkaar. Tijdens dit proces leren kinderen op welke wijze ze de emoties die tijdens het bewegen opkomen kunnen tonen. Daarnaast ervaren en leren kinderen hoe je in bewegingssituaties rekening houdt met anderen.

Kennis en vaardigheden

Communiceren in beweegsituaties

Leerlingen leren:

  • naar elkaar luisteren;
  • vaktaal gebruiken en begrijpen;
  • passend emoties tonen, bijvoorbeeld bij angst voor hoogte of over de kop gaan.

Sociaal vaardig worden in beweegsituaties

Leerlingen leren:

  • simpele gedragscodes hanteren, zoals wachten op je beurt;
  • verschillen in uiterlijke fysieke kenmerken herkennen;
  • omgaan met eigen emoties, zoals die bij winst en verlies.

Samenwerken in beweegsituaties

Leerlingen leren:

  • vertrouwen hebben in de eigen capaciteiten;
  • in een groep functioneren.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In deze fase worden de beweegactiviteiten steeds complexer. Tegelijkertijd beginnen kinderen zich bewust te worden van hun eigen rol/gedrag en de rol/het gedrag van anderen. Leerlingen leren (on)mogelijkheden van zichzelf en anderen accepteren. Leerlingen leren in deze fase (zich) een plek te verwerven in diverse sociale groepen en verbanden.

Kennis en vaardigheden

Communiceren in beweegsituaties

Leerlingen leren:

  • naar elkaar luisteren en op een passende wijze reageren;
  • passend emoties tonen en herkennen bij anderen;
  • afspraken maken over enkele sport- en spelregels;
  • conflicten herkennen en met elkaar oplossen.

Sociaal vaardig worden in beweegsituaties

Leerlingen leren:

  • moeilijkere gedragscodes hanteren, zoals bijvoorbeeld eerlijk spelen;
  • verschillen in uiterlijke fysieke kenmerken herkennen en respecteren;
  • omgaan met emoties van jezelf en anderen en daarbij je grenzen aangeven;
  • rekening houden met de mogelijkheden van anderen;
  • omgaan met tips, kritiek of aanmoedigingen.

Samenwerken in beweegsituaties

Leerlingen leren:

  • vertrouwen hebben in de eigen capaciteiten;
  • in een heterogene groep functioneren;
  • eerlijk spelen;
  • hulp ontvangen en geven en vragen.

Leerlingen leren beter omgaan met anderen in beweegsituaties. Die worden steeds complexer omdat de verschillen tussen deelnemers toenemen en ze zich meer richten op, met en tegen elkaar.

BS6.1/8.5 - Samen bewegen - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In deze fase wordt het sociale aspect van bewegen belangrijker, omdat de beweegsituaties zich steeds vaker zullen richten op met elkaar en tegen elkaar. Kinderen zijn zich steeds meer bewust van hun eigen vaardigheden/rol/motivatie en die van anderen. Verschillen worden steeds zichtbaarder en het belang om daar goed mee om te gaan, wordt groter.

Kennis en vaardigheden

Communiceren in beweegsituaties

Leerlingen leren:

  • naar elkaar luisteren en op een passende wijze reageren;
  • passend emoties tonen, herkennen en daar rekening mee houden;
  • afspraken maken over meerdere sport- en spelregels;
  • conflicten herkennen en met elkaar oplossen;
  • anderen overtuigen of motiveren.

Sociaal vaardig worden in beweegsituaties

Leerlingen leren:

  • moeilijkere gedragscodes hanteren, zoals fair play;
  • verschillen in uiterlijke fysieke kenmerken herkennen en respecteren;
  • omgaan met emoties van jezelf en anderen en daarbij je grenzen aangeven;
  • rekening houden met de mogelijkheden en onmogelijkheden van anderen;
  • een ander overtuigen of motiveren.

Samenwerken in beweegsituaties

Leerlingen leren:

  • vertrouwen op de eigen capaciteiten en die van anderen;
  • in een grotere heterogene groep kunnen functioneren;
  • eerlijk spelen en erkennen van een spelregelovertreding;
  • hulp ontvangen, geven en vragen;
  • ruimte geven en ruimte nemen in beweegsituaties;
  • een open houding ontwikkelen ten aanzien van kenmerken, uitingen en/of ideeën van anderen.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Bewegen & Sport doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

BS6.1/8.5 - Samen bewegen - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Voor het gemeenschappelijke vak voor alle leerlingen in de bovenbouw van alle sectoren:

  • In de bovenbouw gaat het om dezelfde kennis en vaardigheden als in eerdere fasen. Leg het accent op het toepassen van die kennis en vaardigheden om de activiteiten die worden gedaan soepeler te laten verlopen. Betrek daarbij mogelijke verschillen tussen mensen (sportief gedrag, omgaan met winst en verlies, deelnameniveau, deelnamemotieven, culturele achtergrond).
  • Leerlingen leren in de bovenbouw hun eigen rol in groepen en die van anderen beter te herkennen en doelgerichter in te zetten ten bate van een gemeenschappelijk doel.
  • De verschillen tussen groepen leerlingen en sectoren komen tot uiting in het doorontwikkelen van kennis en vaardigheden uit vorige fasen enerzijds en het toepassen van kennis en vaardigheden anderzijds. Dat hangt ook af van of leerlingen in een eigen vertrouwde en goed functionerende groep werken of in telkens variërende groepen.

Voor het keuze-examenvak LO2 in de bovenbouw van het vmbo (GT/TL) en het keuze-examenvak BSM in de bovenbouw van havo en vwo:

  • Maak de leerlingen nadrukkelijker verantwoordelijk voor het proces van de groep waar zij leiding aan geven. Besteed daarbij aandacht aan het herkennen van de bijdrage van anderen en jezelf aan het groepsproces.

BS6.1/8.5 - Samen bewegen - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Voor het gemeenschappelijke vak voor alle leerlingen in de bovenbouw van alle sectoren:

  • In de bovenbouw gaat het om dezelfde kennis en vaardigheden als in eerdere fasen. Leg het accent op het toepassen van die kennis en vaardigheden om de activiteiten die worden gedaan soepeler te laten verlopen. Betrek daarbij mogelijke verschillen tussen mensen (sportief gedrag, omgaan met winst en verlies, deelnameniveau, deelnamemotieven, culturele achtergrond).
  • Leerlingen leren in de bovenbouw hun eigen rol in groepen en die van anderen beter te herkennen en doelgerichter in te zetten ten bate van een gemeenschappelijk doel.
  • De verschillen tussen groepen leerlingen en sectoren komen tot uiting in het doorontwikkelen van kennis en vaardigheden uit vorige fasen enerzijds en het toepassen van kennis en vaardigheden anderzijds. Dat hangt ook af van of leerlingen in een eigen vertrouwde en goed functionerende groep werken of in telkens variërende groepen.

Voor het keuze-examenvak LO2 in de bovenbouw van het vmbo (GT/TL) en het keuze-examenvak BSM in de bovenbouw van havo en vwo:

  • Maak de leerlingen nadrukkelijker verantwoordelijk voor het proces van de groep waar zij leiding aan geven. Besteed daarbij aandacht aan het herkennen van de bijdrage van anderen en jezelf aan het groepsproces.

Beweegcontexten verbinden

BS7.1/8.6 - Lees de hele bouwsteen

BS7.1/8.6 - Beweegcontexten verbinden

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

BS7.1/8.6 - Beweegcontexten verbinden - Toelichting

Algemeen

De bouwsteen Beweegcontexten verbinden verwijst naar en is de uitwerking van de volgende grote opdrachten:

  • Grote opdracht 7 - Bewegen en sport binnen en buiten de school
  • Grote opdracht 8 - Bewegen op eigen niveau

Binnen het leergebied Bewegen & Sport maken leerlingen (on)bewust kennis met een diversiteit aan beweegcontexten. Daarbij leren leerlingen kennis en vaardigheden die zij kunnen toepassen in beweegactiviteiten buiten de lessen en leren zij gaandeweg de verschillen tussen die contexten begrijpen.

Aspecten van verschillende beweegcontexten buiten de lessen bewegen en sport kunnen input leveren voor het lesprogramma. Te denken valt aan: oefenen voor het schoolvoetbaltoernooi, voorbereiden op de plaatselijke 4-mijl loop of het organiseren van een instuif voor de buurtkinderen in de gymzaal. Er is sprake van wederzijdse beïnvloeding. Om een leven lang met plezier te kunnen bewegen, is het van belang dat leerlingen in verschillende beweegcontexten actief kunnen zijn. Daarom worden in de lessen bewegen en sport verbindingen gelegd met beweegcontexten buiten de school.

Een beweegcontext kan variëren op de volgende aspecten:

  • Wat - welke beweegactiviteit staat centraal, zoals voetbal of turnen.
  • Waar - in welke omgeving wordt de activiteit gedaan, zoals op een sportveld, de camping, het strand.
  • Wie - met wie wordt de activiteit gedaan, zoals alleen, in een team, met familie.
  • Waarom:
    • met welk doel is de beweegactiviteit opgezet, zoals als wedstrijd of als instuif.
    • met welke deelnamemotief doen de deelnemers mee aan de beweegactiviteit, zoals voor het plezier of de spanning.
  • De wijze waarop - is het officieel georganiseerd, ongeorganiseerd of anders georganiseerd.

Opbouw doorlopende leerlijn

Een aantal punten is kenmerkend voor de doorlopende leerlijn binnen deze bouwsteen. Ten eerste maken leerlingen niet allemaal dezelfde ontwikkeling door in hun bewegen. Ze krijgen dus niet allemaal in dezelfde mate toegang tot alle mogelijke contexten waarin bewegen plaatsvindt. Ten tweede is er sprake van een steeds groter wordende leefwereld. Leerlingen krijgen, naarmate ze ouder worden, een uitgebreidere keuze aan contexten waarbinnen ze kunnen sporten en bewegen. Op deze contexten reflecteren ze steeds bewuster, naarmate ze ouder worden. Uiteindelijk zijn ze ook steeds beter in staat om eigen keuzes te maken in de vormgeving van de beweegcontext(en) die hun voorkeur hebben.

Brede vaardigheden

Bij deze bouwsteen komt vooral kritisch denken aan de orde (manieren van denken en handelen) binnen de specifieke context van de lessen bewegen en sport. Dit aangezien in de fasering steeds meer verbinding gezocht wordt tussen verschillende bouwstenen en datgene dat buiten de lessen en buiten de school plaatsvindt.

Aspecten van deze brede vaardigheid, relevant voor het leergebied Bewegen & Sport, zijn:

  • analyseren en interpreteren van overeenkomsten en verschillen tussen beweegsituaties en daar weloverwogen keuzes in maken en naar handelen;
  • evalueren van beweegsituaties, hieruit conclusies trekken en uitleggen waarom beweegsituaties verschillende uitingen hebben.

Samenhang met andere leergebieden

In deze bouwsteen staat centraal dat menselijk handelen contextgebonden is. Dat zal binnen meerdere leergebieden aan de orde zijn, maar er is op dit punt geen samenhang met specifieke bouwstenen van andere leergebieden.

Leerlingen leren over activiteiten die op straat, pleinen en speelveldjes worden gedaan of van sport zijn afgeleid. De beweegactiviteiten in deze contexten kennen hun eigen doel en regels.

BS7.1/8.6 - Beweegcontexten verbinden - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

Leerlingen zien beweegmogelijkheden in hun directe omgeving (thuis en op school) en leren bij het leergebied Bewegen & Sport vaardigheden die ze daar kunnen toepassen. Verschillende aspecten van beweegactiviteiten die in de omgeving worden gedaan, komen terug in de lessen bewegen en sport. Door de wederkerige verbinding te maken tussen beweegsituaties binnen en buiten het leergebied, ontdekken leerlingen overeenkomsten en verschillen tussen contexten van bewegen. Op die manier worden ze meer bekwaam om buiten school te bewegen.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren, voornamelijk ten aanzien van de aspecten wat, waar en met wie:

  • verschillende beweegactiviteiten, op diverse plaatsen, met uiteenlopende deelnemers binnen en buiten het leergebied verkennen;
  • hoe kennis en vaardigheden uit de bouwstenen Leren bewegen, Bewegen regelen en Samen bewegen toepasbaar zijn buiten het leergebied, bijvoorbeeld op het schoolplein of het pleintje in de wijk.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

Leerlingen oriënteren zich in deze leeftijd door veel uit te proberen. Ze gaan meer naar sportverenigingen waar ze trainen en wedstrijden spelen. Ook spelen leerlingen op pleinen en veldjes (naast de spellen met eigen regels) meer activiteiten die van de sport afgeleid zijn. Daarmee verkennen ze verschillende doelen (het waarom) om beweegactiviteiten uit te voeren. Op de aspecten van de beweegcontext wordt in deze fase meer gereflecteerd: “Wat houden deze aspecten precies in?”.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren, voornamelijk ten aanzien van de aspecten wat, waar, wie en waarom:

  • steeds meer aspecten van beweegcontexten (activiteit, locatie, deelnemers, doel) binnen en buiten het leergebied verkennen en met elkaar verbinden;
  • hoe kennis en vaardigheden uit de bouwstenen Leren bewegen, Bewegen regelen en Samen bewegen toepasbaar zijn buiten het leergebied en omgekeerd, te denken valt aan het trapveldje in de buurt of de sportvereniging;
  • dat beweegactiviteiten vanuit verschillende doelen uitgevoerd kunnen worden, te denken valt aan show of wedstrijd.

Leerlingen leren de verschillen in doel, regels en afspraken en deelnamemotieven tussen beweegactiviteiten in allerlei contexten kennen.

BS7.1/8.6 - Beweegcontexten verbinden - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In deze fase gaat een deel van de leerlingen zich verder specialiseren in een bepaalde sport. De leefwereld van leerlingen wordt groter. Daarnaast krijgen doelen en persoonlijke deelnamemotieven meer betekenis. Het gaat daarbij om eigen motieven, maar ook om motieven van anderen. Verder maken leerlingen bewust kennis met organisatieverbanden, zoals georganiseerde, ongeorganiseerde of anders georganiseerde sport. Overeenkomsten en verschillen tussen bewegen en sport in de lessen en daarbuiten worden steeds duidelijker en leerlingen leren hierop te reflecteren en bewust keuzes te maken.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren, ten aanzien van de aspecten wat, waar, wie, waarom en de wijze waarop:

  • uiteenlopende beweegcontexten binnen en buiten het leergebied verkennen, waarbij variatie is in activiteit, locatie, deelnemers en hun motieven, doel van de activiteit en organisatieverband;
  • dat kennis en vaardigheden uit de bouwstenen Leren bewegen, Bewegen regelen en Samen bewegen toepasbaar zijn en aangepast kunnen worden aan activiteiten buiten het leergebied en omgekeerd, te denken valt aan de sportvereniging of de lokale sportaccommodaties;
  • dat beweegactiviteiten vanuit verschillende doelen uitgevoerd kunnen worden, te denken valt aan show of wedstrijd;
  • dat andere deelnemers aan beweegactiviteiten hun eigen deelnamemotief hebben;
  • dat beweegactiviteiten vanuit verschillende organisatieverbanden (wijze waarop) aangeboden worden;
  • deze aspecten met elkaar te verbinden en daarin keuzes te maken.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Bewegen & Sport doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

BS7.1/8.6 - Beweegcontexten verbinden - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Voor het gemeenschappelijke vak voor alle leerlingen in de bovenbouw van alle sectoren:

  • Zorg dat de leerlingen in deze fase leren dat verschillende contexten verschillend beweeggedrag mogelijk maken en vragen. Dat geldt zowel voor deelnemen in de rol van beweger als in de rol van regelaar of in andere rollen.
  • Besteed expliciet aandacht aan de overeenkomsten en verschillen die er zijn tussen beweegsituaties in verschillende contexten.

Voor het keuze-examenvak LO2 in de bovenbouw van het vmbo (GT/TL) en het keuze-examenvak BSM in de bovenbouw van havo en vwo:

  • Besteed aandacht aan verschillende manieren van begeleiden van beweegsituaties, rekening houdend met de aspecten van de context waar die beweegsituaties in  plaatsvinden of naar verwijzen. Besteed daarbij aandacht aan overeenkomsten en verschillen in aspecten van beweegcontexten in beweegsituaties en tussen de deelnemers aan deze beweegsituaties.
  • Besteed aandacht aan aspecten van passieve sportbeoefening en aan het belang van media-aandacht voor bewegen en sport.
  • Besteed aandacht aan de betekenis van technologische ontwikkelingen in verschillende contexten van bewegen.

BS7.1/8.6 - Beweegcontexten verbinden - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Voor het gemeenschappelijke vak voor alle leerlingen in de bovenbouw van alle sectoren:

  • Zorg dat de leerlingen in deze fase leren dat verschillende contexten verschillend beweeggedrag mogelijk maken en vragen. Dat geldt zowel voor deelnemen in de rol van beweger als in de rol van regelaar of in andere rollen.
  • Besteed expliciet aandacht aan de overeenkomsten en verschillen die er zijn tussen beweegsituaties in verschillende contexten.

Voor het keuze-examenvak LO2 in de bovenbouw van het vmbo (GT/TL) en het keuze-examenvak BSM in de bovenbouw van havo en vwo:

  • Besteed aandacht aan verschillende manieren van begeleiden van beweegsituaties, rekening houdend met de aspecten van de context waar die beweegsituaties in  plaatsvinden of naar verwijzen. Besteed daarbij aandacht aan overeenkomsten en verschillen in aspecten van beweegcontexten in beweegsituaties en tussen de deelnemers aan deze beweegsituaties.
  • Besteed aandacht aan aspecten van passieve sportbeoefening en aan het belang van media-aandacht voor bewegen en sport.
  • Besteed aandacht aan de betekenis van technologische ontwikkelingen in verschillende contexten van bewegen.